Skip to main content

Grafpoëzie


Geschreven: 24 januari 2010
Aangepast: 31 maart 2013
Auteur: Nicolaas Beets
Categorie: Historische lijk- en grafdichten

 

Ik wandelde over ’t kerkhof rond,
En met mij ging mijn kleinste jongen:
Ik, met mijn oogen naar den grond;
Hij, lachende en met wilde sprongen.

„Lief kind!” vermaande ik, „’t is niet goed,
„Hier zoo onstuimig rond te draven,
„Zoo luid te schreeuwen als gij doet;
„Men maakt zoo’n leven niet bij graven.”

Hij kwam tot mij, voor ’t oogenblik,
En staakte ’t blijde spel, schoon noode!
Keek bijna even sip als ik,
En hield zijn mondje als zelf een doode,

Maar ’t jonge leven werkt met drang,
En wil van geen betooming weten;
Ras ging ’t opnieuw denzelfden gang,
Mijn hand geslaakt, mijn woord vergeten.

Maar nu ook liet ik ’t kind begaan,
’k Had naar den hemel ’t oog geheven;
Zijn aanblik had mij goed gedaan
En beter wijsheid ingegeven.

Hij immers had geen zwart of grauw
Juist boven ’t kerkhof uitgespannen,
Maar hier als ginds datzelfde blauw,
Dat al het sombre moet verbannen.

Daar zweefden vroolijk, op dit pas,
Sneeuwwitte wolkjes over henen;
En nergens werd een groener gras
Van rijker zonnegloed beschenen.

En uit denzelfden molm gevoed
Waarin zoo vele lijken lagen,
Hield Madeliefje ’t oog vol gloed,
Ten heldren hemel opgeslagen.

De wakkre kraai beschreef omhoog
Met blij gekras haar fraaiste kringen,
En op een grauwen grafpaal vloog
Het kneutje en zette zich tot zingen.

Neen, dacht ik, zoo veel glans had God
Hier over de aard niet uitgegoten,
Noch zulk een bron van rein genot
In ’t bruisend kinderhart besloten,

Indien ’t de hoogste wijsheid was
Naargeestig hier om ’t graf te dwalen,
En ’t hart aan wormen, stof en asch
Met nutloos mijmren op te halen.

Neen, neen! die heldre zonnestraal,
Die kinderjubel, niet te smoren,
Doen denken aan een zegepraal,
Die ons een Heiland heeft beschoren,

Die zonde en dood hun buit en roof .
Ontrukte en voor zijn macht deed buigen,
Zoodat op ’t kerkhof, ook ’t Geloof
Als een gelukkig kind mag juichen,


Geschreven: 24 januari 2010
Aangepast: 31 maart 2013
Auteur: Nicolaas Beets
Categorie: Historische lijk- en grafdichten

 

Ten vuren, ten vuren
Met vrouwen kroost, al klinkt het ruw!
’t Is goed voor u,
Dan kunje langer duren;
Wel eens zoo lang als nu.

De lijken, de lijken
Ontvolkten veel te lang het land
’t Is zonde en schand
Dat zal statistisch blijken,
Zoodra men ze verbrandt.

Naar d’oven, naar d’oven!
Die ’t lijk verbrandt, verbrandt den Dood,
Den stervensnood,
En brengt het leven boven?
Voorwaar! onze eeuw is groot!


Geschreven: 24 januari 2010
Aangepast: 12 december 2013
Auteur: Nicolaas Beets
Categorie: Historische lijk- en grafdichten

 

Rust zacht! Gij zijt ter rust gelegd,
Waar niets kan deren,
Beminlijk vriend! Getrouwe knecht
Des trouwsten Heeren!

Gij neemt een vriendschap mede in ’t graf,
Van veertig jaren,
En wacht haar nieuwen morgen af,
Bij de englenscharen.

Wij wandlen hier, door lief en leed,
Nog op en neder,
En gaan tot de ure, die God weet,
Door wind en weder.

Voor u was ’t weder dikwijls ruw,
— Het deel der vromen! —
Maar nooit is tusschen mij en u
Een wolk gekomen.

Daarboven zal geen wissling zijn
Van licht en duister,
Maar een, een zelfde zonneschijn,
In vollen luister.


Geschreven: 24 januari 2010
Aangepast: 31 maart 2013
Auteur: Nicolaas Beets
Categorie: Historische lijk- en grafdichten

 

Overl. 18 April 1872.

Strooi rozen op dit graf. die na ’t verwelken geuren,
Als, na zijn dood, de deugd en liefderijke daân
Van hem, om wiens gemis wij treuren,
Wiens nagedachtnis blijft, en nimmer zal vergaan.

„Welzalig” — zegt de Schrift — „die in den Heere sterven.”
Ja; hunner is de rust na wel volbrachten loop;
Hun heil, de troost van die hen derven,
Hen weer te zien, de hoop.

„Hun werken volgen hen.” Uw werken waren velen,
Getrouwe dienstknecht! en in needrigheid volbracht.
Eens in uw heerlijkheid te deelen!
Die eerzucht geeft ons moed en kracht.

GIJ hadt geen eerzucht. Neen, gij hadt slechts liefde, ontstoken
Aan de eerder liefde van een Heiland, trouwen teer.
Ook deze les heeft niet ontbroken
Aan ’t voorbeeld, dat ge ons gaaft: „Aan God alleen zij de eer!’

Rust, werkzaam vriend, rust zacht! Treurt niet, beroofde zonen
Hef, droeve weduw! ’t hoofd. van hooger hulp bewust;
God in den hemel zal u toonen
Wat zegen op het huis van zijn beminden rust.