Kamperdijk, Nicolaas Johannes

Geschreven door B.H.J.N. Kooij op . Gepost in Kunst & Cultuur

 

Een veelzijdige negentiende-eeuwse architect: de Utrechter Nicolaas Johannes Kamperdijk (1815-1887)

Vooraf

Utrecht, NS-administratiegebouw I (1870-1871) gebouwd in opdracht van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen (MES), Moreelsepark, A.H.C. Schollen 1979, no. 20235267 collectie RCE. Dit is één van de grootste bouwwerken van Kamperdijk. De derde verdieping is in 1979 toegevoegd door stadsarchitect C. Verweijs.Architect Nicolaas Johannes Kamperdijk kennen we onder andere van de bouw van de Oude kerk in Zeist, het concertgebouw in het voormalige Tivolipark in Utrecht en het oude station in Amersfoort. Verder komen we hem tegen bij de restauratie van de Domkerk en de bouw van het NS-administratiegebouw I in Utrecht. Naast een eerste overzicht met 26 werken door F. van der Heide, dat zij plaatste op stationsweb.nl en op archiwijzer bij bonas.nl, is over het leven en het werk van Kamperdijk tot op heden vrijwel niets gepubliceerd. We kunnen constateren dat over Kamperdijk eigenlijk nog niet veel bekend is. [1] Enerzijds komt dat omdat zijn archief -voor zover wij nu weten- niet bewaard is gebleven en anderzijds omdat aan hem vrijwel geen publicaties zijn gewijd. Kamperdijk publiceerde zelf weinig.
Aan wie Kamperdijk zijn bureau heeft overgedaan, wordt nergens vermeld. De later bekende, ambitieuze leerling en assistent van Kamperdijk, Jacobus van Lokhorst (1844-1906), heeft het bureau in ieder geval niet overgenomen. Lokhorst was van 1875 tot 1878 namelijk tekenaar-architect bij de Genie en van 1878 tot 1906 rijksbouwkundige voor de gebouwen van Onderwijs. Wij kennen hem onder andere van zijn ontwerp voor de oude tuinbouwschool in Wageningen. [2] 

Was Kamperdijk een echte kerkenbouwer, zoals enkele van zijn tijdgenoten, of legde hij zich meer op andere gebouwencategorieën toe? Op deze vraag vinden we in de vier deeltjes van De Oude Kerk te Zeist (1974-1978) van H.J. van Eekeren en P. Kuijper geen antwoord.
Om op bovengenoemde vragen een antwoord te vinden, is nieuw onderzoek verricht. De aandacht is vooral uitgegaan naar het leven, de opleiding van Kamperdijk, en naar degenen die van belang waren voor zijn ontwikkeling en carrière. Verder is gepoogd een uitgebreider overzicht van zijn werk op te stellen. De resultaten van het onderzoek geven tevens een antwoord op de vraag van C. Douma in zijn artikel ‘Drie historische spoorwegbolwerken langs het Moreelsepark’ waarom niet Kamperdijk in 1879 de verdieping op het NS-administratiegebouw I heeft gebouwd maar juist stadsarchitect C. Verwijs. [3] 
Geraadpleegd zijn: beeldbank en tekeningenarchief en monumentenregister Rijksdienst Cultureel Erfgoed (RCE), beeldbank en tekeningenarchief Gemeentearchief Utrecht, serie Monumenten in Nederland. Moge dit artikel een bijdrage leveren aan de herwaardering van architect Kamperdijk en zijn werken.

Wie was Kamperdijk?

Nicolaas Johannes Kamperdijk is geboren op 13 maart 1815 te Utrecht als zoon van Hermanus Kamperdijk, gadermeester van Driebergen, en Gijsberta Wilhelmina de Veer. [4] Een portret van Kamperdijk of groepsfoto waar hij op staat, is tot op heden nog niet gevonden. Daarentegen is tijdens het onderzoek zijn graf recentelijk getraceerd. Bekend is dat hij werkte en particuliere lessen volgde bij de vooraanstaande Utrechtse architect Christiaan Kramm (1797-1875) in de Kapelstraat. Het talent van de jonge Kamperdijk moet door Kramm herkend zijn, anders had hij hem vast niet aangenomen. Kamperdijk verrichte in zijn vrije tijd veel tekenoefeningen en deed door zelfstudie de nodige kennis op uit bouwkundeboeken.
Dat hij met de 'Stadsschoolen voor Teeken- en Bouwkunde' kennis maakte en deze bezocht, is aannemelijk; Kramm gaf er immers zelf les. Kamperdijk heeft van Kramm ook schilderlessen (aquarel) gekregen. Hij bracht deze verworven schilderkunst daadwerkelijk in de praktijk. Vier fraaie aquarellen in het Utrechts Archief getuigen hiervan. Het gaat om: Het interieur van de Geertekerk te Utrecht gezien vanuit het transept (37527), gedateerd 1860-1870; Ontwerp voor de voorgevel van de te verbouwen Sociëteit Sic Semper (Trans /hoek Nieuwegracht) te Utrecht (216608), 1865; Het Telegraafgebouw op de hoek van de Westerstraat (links) en de Moreelselaan (rechts) te Utrecht (28774), 1867; Het huis Voorzorg aan de Catharijnesingel te Utrecht (31367), 1867.

Kamperdijk werkte in zijn studietijd een periode bij de Utrechtse tuinarchitect Hendrik van Lunteren (1780-1848) en diens zoon Samuel A. van Lunteren (1813-1877) in de Servetstraat in het centrum van Utrecht. [5] Samuel van Lunteren en Nicolaas Kamperdijk waren vrijwel van dezelfde leeftijd en ontmoetten elkaar in hun studietijd, waarschijnlijk bij de tekenschool. Samuel van Lunteren was naast tuinarchitect ook bouwkundig-architect. Van Lunteren woonde aan de Donkere Gaard 4 in het centrum van Utrecht. Zijn huis ontwierp hij zelf in 1842. In de loop der tijd zouden Nicolaas Kamperdijk en Samuel van Lunteren regelmatig samen aan projecten werken. Beide heren konden overigens prachtig tekenen.

Privé

Kamperdijk trouwde op 9 augustus 1838 op 23-jarige leeftijd met de 22-jarige Francina Alvarez. [6] Drie van hun kinderen worden genoemd in de Naamlijst Geborenen, Gehuwden en Overledenen te Utrecht, te weten: Pieter Cornelis, geboren op 26 januari 1843; Gijsbertha Wilhelmina Kamperdijk, geboren op 10 februari in 1846 en Nicolaas Johannes Franciscus Kamperdijk, geboren 19 augustus 1847. [7] Francina (ook genoemd Francisca), geboren op 19 maart 1849, is het vierde kind dat hun de ouders overleeft. Zes andere kinderen uit het huwelijk overlijden vroegtijdig.[8] Uit het huwelijk komen totaal dus tien kinderen voort.
Een van de eerste tekenen dat het met de gezondheid van Kamperdijk niet goed gaat, is een advertentie uit 1852 waarin staat: ‘Voor de talrijke bewijzen van belangstelling, die ik, gedurende mijne ziekte, zoowel van mijn stadsgenooten als van bekenden buiten deze stad mogt ondervinden, betuig ik mijnen welmeenenden dank. Utrecht 20 Januarij 1852, N.J. Kamperdijk Architect’. Wat precies de oorzaak is, wordt niet duidelijk. Een combinatie van gezinsproblemen, zwakke constitutie en hard werken is niet uitgesloten. Tot het einde van zijn carrière zal zijn gezondheid een rem zijn op zijn activiteiten.
Eind jaren vijftig tot begin jaren zestig van de negentiende eeuw moet voor Kamperdijk wederom een crisisperiode zijn geweest. In 1855 moest hij zijn beide ouders en een zuster ten grave dragen. [9] Terwijl hij het juist heel druk had met zijn werk, overleed kort daarop, op 4 december 1858, na een langdurige ziekte, zijn bijna 43-jarige vrouw. [10] Toen stond hij plots alleen voor de opvoeding van vier jonge kinderen. Daarna was het lot hem en zijn kinderen echter goed gezind, want spoedig leerde hij de Voorburgse Hendrina Maria Mulder (1821-1908) kennen. Met haar trouwde hij op 5 februari 1864; hij is dan 47 en zij 41 jaar. [11] Ruim een jaar later, op 14 oktober 1865, schonk zij hem een kind, Hendrina Maria Kamperdijk. [12] 
Grafkelder van Nicolaas Johannes Kamperdijk (overleden op 8 februari 1887) in de grafheuvel van Zocher op begraafplaats Soestbergen, bekend onder nummer 20 van vak HR 3, foto 2264 B.H.J.N. Kooij 2007.Mede door het wegvallen van zijn vriend Samuel van Lunteren in 1877, zijn slechte gezondheid en het afbouwen van zijn werk, werd de band met Utrecht steeds minder. Uiteindelijk verliet Kamperdijk op 63-jarige leeftijd met zijn gezin op 23 april 1878 zijn werk- en woonplaats Utrecht om zijn laatste jaren in Voorburg in Wijk A op nummer 118 te slijten. [13] De wens van zijn tweede vrouw om terug te keren naar haar vertrouwde geboorteplaats -waar zij uiteindelijk na zijn dood nog 21 jaar zou wonen- zal de doorslag hebben gegeven om deze stap te maken. Kamperdijk overleed op 71-jarige leeftijd op 7 februari 1887 te Voorburg. Daar is hij echter niet begraven maar op Utrechtse grond, namelijk op de algemene begraafplaats Soestbergen aan de Gansstraat 167. Twee grafstenen markeren het familiegraf Kamperdijk. Bij hem liggen begraven Hermanus, dat kan zijn vader zijn maar waarschijnlijk is dat zijn vroeg overleden zoon (14/10/1840 – 5/9/1856) zijn oudste dochter Gijsbertha Wilhelmina (10/2/1846-10/4/1928) en haar man en hun twee dochters, dus drie generaties Kamperdijk.

Tekst op de grafstenen:

 Liggend:

GRAFKELDER KAMPERDIJK
G.W. KAMPERDIJK
WED. VAN
C.G.L. KOOLEMANS BEIJNEN
GEB. 10 FEBRUARI 1846
OVERL. 10 APRIL 1928
-.-
FRANCINA
KOOLEMANS BEIJNEN
GEB. 16 MEI 1872
OVERL. 23 SEPTEMBER 1928
HENDRINA MARIA
KOOLEMANS BEIJNEN
GEB. 25 SEPT. 1875
OVERL. 17 JUNI 1964

Staand:

NO. 20
H. KAMPERDIJK
-.-
N.J. KAMPERDIJK
GEB. 13 MAART 1815
OVERL. 8 FEBR. 1887
C.G.L.
KOOLEMANS BEUNEN
GEB. 29 MEI 1818
OVERL. 20 DEC. 1891
GELIEFDE ECHTGENOOT VAN
G.W. KAMPERDIJK

Leermeester Christiaan Kramm (1797 – 1875)

Kramm, van 1826 tot 1866 directeur van de bouwkundige afdeling van de Utrechtse ‘Stadsschoolen voor Teeken- en Bouwkunde’, was naast architect ook schilder, kunstverzamelaar, decorontwerper en kunstenaarsbiograaf. Dat Kramm bijzonder mooi kon tekenen, toont zijn tekening van de Dom van Utrecht. Deze is opgenomen in het grote overzichtswerk van Carl Friedrich von Wiebeking, Theoretisch-praktische bürgeliche Baukunde (1823 e.v.j.). Niet onbelangrijk om te vermelden is dat Kramm tussen 1823 en 1826 opzichterswerk bij de Dom verrichtte onder leiding van architect T.F. Suys (1783 – 1861).

In 1827, het jaar nadat hij als directeur aan de Utrechtse ‘Stadsschoolen voor Teeken- en Bouwkunde’ was aangesteld, maakte hij een vier maanden durende studiereis naar Engeland. Hij verbleef daar enige tijd bij zijn geëmigreerde oude leermeester, de kunstschilder Pieter Christoffel Wonder (1780 - 1852). [14] Verrijkt met nieuwe kennis en ideeën keerde hij terug naar Utrecht. Vanaf de jaren dertig van de negentiende eeuw komt de populaire (Engelse) neogotiek meerdere malen in zijn ontwerpen terug. Op de ‘Stadsschoolen voor Teeken- en Bouwkunde’ introduceerde hij in 1834 zelfs ‘een nieuw soort oefening’: het ‘Gotisch Architectuurteekenen’. [15]

In 1838 bouwde hij in Soesterberg een kerkje (H. Carolus Borromeus) in deze stijl. Het éénbeukige en vier traveeën lange kerkje geldt als voorbeeld van de vroegste neogotiek in ons land. Het is in 1952-1953 vervangen door een nieuw exemplaar. In 1841 kwam de RK St.-Josephkerk aan de Hamersveldseweg 51 in Leusden tot stand. Een derde kerk van zijn hand, in Enschede, is al vroeg verloren gegaan. [16] Een ander pregnant voorbeeld van Kramm’s ontwerpen is de uitbreiding van de Willem Arntszstichting tussen 1836 en 1842, aan de Agnietenstraat op de hoek van de Lange Nieuwstraat in Utrecht. Naast nieuwbouw heeft Kramm zich ook meerdere keren met restauraties beziggehouden. Bij verschillende van deze restauraties, zoals bij kasteel Beverweerd te Werkhoven, is ook sprake van enkele nieuwe toevoegingen. Tijdgenoten van Kramm, onder andere de Kamper stadsfabriek Nicolaas Plomp, de Amsterdamse stadsarchitect J. Janssen en de eerdergenoemde architect Suys, bedienden zich in hun ontwerpen eveneens van de Engelse neogotiek, hoewel in een wat soberdere uitvoering.

Engelse neogotiek is in ons land bekend onder de naam Willem II gotiek, genoemd naar koning Willem II die regeerde in de periode 1840-1849. Het is een vroeg negentiende-eeuwse bouwstijl die geïnspireerd was op de ‘Gothic Revival’ in Engeland. Willem Frederik George Lodewijk (1792-1849) had tijdens zijn studie aan de Universiteit van Oxford belangstelling gekregen voor deze ‘Gothic Revival’. Vanwege zijn belangstelling voor bouwkunst introduceerde hij deze bouwstijl rond 1839 bij de verbouwingen en de nieuwbouw van zijn paleis aan de Kneuterdijk in Den Haag. Kenmerkend voor deze stijl is de manier waarop de oorspronkelijk in metselwerk en natuursteen uitgevoerde constructies worden nagebootst in gips en pleisterwerk. De gotische vormen werden slechts decoratief toegepast.
Kramm woonde en werkte in zijn zelfontworpen huis Rusthof* aan de Kapelstraat in Utrecht. Hij overleed op 24 mei 1875, ongehuwd. Opmerkelijk is dat een overzicht van de uitgebreide bibliotheek van zowel Kramm als van Kamperdijk bewaard is gebleven. De beide catalogi, uitgebracht door de Utrechtse boekverkoper J.L. Beijers, bieden voor de toekomst een interessante bron voor onderzoek.[17]

Tabel

Carrière

Kamperdijk begon zijn loopbaan rond 1840. [18] Hij was toen 25 jaar en deed naast het ontwerpen van gebouwen ook opzichterswerk. In de begintijd van zijn carrière hield hij kantoor in een huurkamer aan de Oude Gracht in Utrecht. Enkele jaren later (1844-1845) liet hij links van de oude Gertrudiskapel aan de Mariahoek een woning annex kantoor bouwen. Deze woning met het karakter van een bijgebouw is echter in de periode 1912-1914 gesloopt toen de kapel werd verlaten en de nieuwe Gertrudiskapel aan het Willemsplantsoen 2 werd betrokken. [19]

Oude kerk te Zeist, T. Penders 2008, no. 20413964 collectie RCE.Kamperdijk was door Kramm secuur opgevoed in de tekenkunst en kende de cultuur van prijsvragen. Deze cultuur was destijds niet alleen op de Utrechtse ‘Stadsschoolen voor Teeken- en Bouwkunde’ aanwezig, maar kwam in de negentiende eeuw veel voor bij tentoonstellingen of nieuwe bouwopgaven. Niet alleen Kramm heeft via deze weg naam gekregen, maar bijvoorbeeld ook de bekende tuinarchitect Leonard Springer. Kamperhuis’ eerste ingezonden ontwerptekening was die van de voorgevel van een landhuis voor een tentoonstelling in Amsterdam en dateert uit 1834. [20] Een jaar later reageerde hij op de prijsvraag voor de vernieuwing van de Zeister Hervormde kerk, de Oude Kerk genaamd, met een ontwerp in de toen moderne Engelse neogotiek. Deze inzending werd, zoals bekend, bekroond. Het is waarschijnlijk zijn tweede ontwerp -na de bouw van de buitenplaats Overduin aan de Dunoweg 2-4 in Oostkapelle in 1839- dat daadwerkelijk is uitgevoerd.

De bekroonde ontwerptekening [1841] van N.J. Kamperdijk voor de plattegrond van de vernieuwing van de Oude kerk. In zijn oorspronkelijke plan ging hij uit van het behoud van de toren en het koor (beide niet zwart gekleurd). In werkelijkheid is alleen de toren behouden en zijn het oude koor en schip vervangen. Het nieuwe schip moest volgens de tekening 17 ellen (meter) en 50 duimen (cm) breed worden.Hoe was het mogelijk dat de 26-jarige architect Kamperdijk destijds de nieuwe Oude Kerk aan de 1ste Dorpsstraat nummer 1 in Zeist mocht bouwen? Was het louter zijn eigen verdienste of heeft hij daarbij hulp gehad? Hoe kwam het dat hij de in zwang zijnde Engelse neogotiek, die hij in zijn ontwerp toepaste, zo goed in de vingers had, terwijl hij waarschijnlijk nog nooit in Engeland was geweest. Het moeten toch de invloed en betrokkenheid van Kramm zijn die spreken uit het ontwerp van zijn leerling. Het is zo goed als zeker dat Kamperdijk kennismaakte met de bovengenoemde populaire bouwstijl via zijn leermeester. Vermoed wordt dat Kramm hem zelfs met het concept voor de Zeister kerk heeft geholpen. Als wij het oeuvre van Kamperdijk overzien, is het opvallend dat de Engelse neogotiek na de bouw van de kerk eigenlijk nergens meer bij zijn bouwwerken terugkomt. Kamperdijk voelde zich sterker vertrouwd met het neoclassicisme en paste deze stijl vrijwel overal toe bij zijn latere werk. De Engelse neogotiek, zoals toegepast bij het Zeister kerkje, kan daarom als een experiment worden gezien en bevestigt de invloed van Kramm, die zelf wel verschillende gebouwen in Engelse neogotiek heeft gerealiseerd. Bovendien weten wij immers dat Kramm voor studie in 1827 enige maanden in Engeland was.
In de loop der jaren zou ook Kamperdijk een goede naam opbouwen en opmerkelijke gebouwen realiseren waarvan er nog verschillende bestaan. Kamperdijk blijkt lid te zijn geweest van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs. [21] In de nadagen van zijn carrière, in de periode van 1873 tot 1878, was hij gemeenteraadslid in Utrecht. Daarnaast was hij van 1870 tot 1878 lid van de Kamer van Koophandel. Rond zijn 62ste levensjaar bouwde hij zijn werk af omdat hij het door ziekte het lichamelijk niet meer aan kon. Aan de vraag om een uitbreiding voor NS-administratiegebouw I te ontwerpen kon hij rond 1878 geen vervolg geven. Uiteindelijk is het stadsarchitect C. Verwijs die in 1879 de uitbreiding realiseert.

De vernieuwing van de Oude Kerk in Zeist: een experiment van een ambitieuze jonge architect

Omdat de Oude Kerk technisch slecht was en bovendien te klein voor het groeiende aantal kerkgangers, werd besloten de kerk te vernieuwen. Tegenwoordig zouden wij een dergelijke kerk restaureren en hier en daar wat uitbreiden, maar er werd toen anders beslist. De gerenommeerde Haarlemse (tuin)architect J.D. Zocher jr. (1791-1870) werd in 1839 uitgenodigd om een plan te maken, maar dat liep op niets uit. [22] Enerzijds had dat te maken met de moeizame communicatie tussen de kerkbestuurders en de architect, anderzijds was het plan te duur.

Men besloot daarna een andere weg te volgen en een prijsvraag uit te vaardigen. Het plan van Kamperdijk, geraamd op fl.36.000,-, werd uit de verschillende inzendingen gekozen. [23] In de notulen van de kerkvoogdij van 5 april 1841 wordt vermeld dat Kamperdijk de prijs van fl.150,- krijgt toegewezen. Het is opmerkelijk dat het kerkbestuur van de Hervormde kerk in zee ging met deze hele jonge architect die nog maar weinig ervaring had. Maar Kamperdijk kon mooi tekenen en dat heeft wellicht de doorslag gegeven. Zijn plan was ook aanmerkelijk goedkoper dan dat van Zocher. Bovendien zal zijn gage nog niet zo hoog zijn geweest als dat van een gerenommeerde architect uit die tijd. In de notulen zijn buiten de naam van Kamperdijk geen namen van andere inzenders gevonden. Ook bij de tekeningen in het kerkarchief zijn geen andere ontwerpen aangetroffen dan die van Kamperdijk. Het vermoeden rijst dat de ontwerpen destijds aan de inzenders zijn teruggegeven.
Kamperdijks ontwerp verving de middeleeuwse kerk. Het plan omvatte een zeven traveeën lange driebeukige kerk met vijfzijdig gesloten afsluiting (‘koor’). Dit alles in Engelse neogotiek. De middeleeuwse torenromp bleef bewaard, maar kreeg wel een aangepaste uitdossing. In het bekroonde plan zou het oude koor net als de toren behouden blijven, maar uiteindelijk is er toch voor gekozen om ook het koor te vernieuwen. Na enige voorbereiding vond vervolgens in het, rechts naast de kerk gelegen, Hof van Holland de aanbesteding plaats van een enigszins aangepast plan. De uit Amersfoort afkomstige meester-timmerman Hendrik Coenen en meester-schilder Willem van der Kamp namen het werk aan voor fl.19.000,-. Daarbij kwamen sloopkosten en het vernieuwen van het koor van fl.4762,- en fl.620,- voor meerwerk. De uiteindelijke aanneemsom bedroeg fl.24.382.
Eind april 1841 startte men met de bouw. Eerst moesten het oude koor en schip worden gesloopt, wat zo’n twee maanden vergde. Aansluitend vond op 14 juli 1841 de eerste steenlegging plaats. De bouw duurde daarna nog twee jaar. Zondag 3 september 1843 kon men de vernieuwde kerk betrekken. Eind 1844 bleek voor het werk totaal fl.50.136,20 te zijn uitgegeven. In dit bedrag zijn ook enkele andere zaken zoals het nieuwe orgel en de nieuwe preekstoel meegeteld.
De Oude Kerk te Zeist is Kamperdijks oudste kerkontwerp dat werd uitgevoerd. Het maakte hem, mede door de goede afloop van het bouwproces, meteen bekend. Kamperdijk ontving voor de zorgen en de goede directie bij de bouw uit handen van de kerkvoogden een ‘kristallen soezenmand met zilver gemonteerd’. [24]

Oeuvre Kamperdijk

Eemnes, St.-Nicolaaskerk (1844-1845), Wakkerendijk 58, T. Penders 2008, no. 20413962 collectie RCE. Dit is de tweede kerk van architect N.J. Kamperdijk.In zijn beginperiode ontwierp Kamperdijk dus in de neogotische stijl en dan voornamelijk toegepast bij kerken. De Hervormde kerk in Zeist uit 1841-1843 is in deze stijl wel zijn mooiste werk, ondanks het feit dat het een vroeg ontwerp is; hij was toen nog maar net 26 jaar en een beginnend architect. Enkele jaren later ontwierp hij een eenvoudige RK-kerk in Eemnes, de St. Nicolaaskerk (1844-1845), ditmaal in neoclassicistische stijl. In Oud-Zuilen herbouwde hij in de jaren 1847-1848 het Hervormde kerkje nadat de oude zeventiende-eeuwse voorganger was afgebrand. Opmerkelijk is dat Kamperdijk zowel Protestantse als Katholieke kerken bouwde.
Als kerkenbouwer heeft Kamperdijk een bescheiden aantal kerken onder handen gehad. Zijn langdurigste klus was ongetwijfeld de restauratie van de Dom in Utrecht, waar hij van circa 1840 tot 1875 opzichter was. [25] Hij raakte hierbij via zijn leermeester Kramm betrokken. In genoemde periode werkte hij ook bij de restauratievoorbereiding van de Utrechtse Catharinakerk. Zijn (negentiende-eeuwse) stijl van restaureren komt het best tot uitdrukking in het materiaalgebruik: belangrijke natuurstenen onderdelen verving hij door terracotta. Deze restauratiewijze zal goedkoper zijn geweest dan onderdelen vervangen in dezelfde natuursteensoort.

Soest, Station Soestduinen (1863-1865), De Beaufortlaan 1, T. Penders 2008, no. 20413974 collectie RCE.Na 1850 bouwde Kamperdijk geen kerken meer en paste hij in zijn werken -voornamelijk bij openbare gebouwen- uitsluitend de gangbare neoclassicistische stijl toe. Als architect van stations heeft Kamperdijk wel de meeste faam verworven. Hij bouwde er zo’n vijftien, waarvan er een aanzienlijk aantal nog bestaat. Voorbeelden van kleine stations zijn: Bilthoven (1865) en Soestduinen (1865). De grootste en tevens bekendste stations zijn: Amersfoort (1863), Zwolle (1866) en Dordrecht (1870).
Tot de overige gebouwen van Kamperdijk in de regio kunnen gerekend worden: het Raadhuis annex gemeenteschool in Vreeland (1860-1861), de pastorie van de Hervormde kerk in de Lage Vuursche (1861), Dorpsstraat 1 in Oud-Zuilen (1865), het Bisschoppelijk Paleis te Utrecht aan de Maliebaan 40 (1868) en het NS-administratiegebouw I in Utrecht (1870-1871). Omdat hij zich vanaf 1873 terugtrok uit zijn beroep, kon men hem niet meer vragen voor een ontwerp voor een verdieping op dit laatstgenoemde gebouw.
Van werken waarbij nieuwbouw en restauratie beide aan de orde kwamen, is kasteel Sterkenburg in Driebergen-Rijsenburg een mooi voorbeeld. Hij bouwde in opdracht van dhr. K.J.F.C. Kneppelhout (1818-1885) in 1862 een duifhuis, in 1865 een oranjerie en in 1867 een toren aan het kasteel. Kramm deed iets vergelijkbaars al rond 1835 bij kasteel Beverweerd. Een uiting van kastelenromantiek is ook aan de orde bij kasteel Klein Geerestein in Woudenberg waar in 1849 mogelijk door Kamperdijk een toren aan het huis is gebouwd in opdracht van dhr. D.H. Hooft. [26] Deze toren doet sterk aan die van de Oude Kerk in Zeist denken.
Het Utrechtsch Provinciaal en Stedelijk Dagblad van 11 februari 1887 memoreert na het overlijden van de architect enkele wapenfeiten zoals de vele huizen en huizenblokken die hij in Utrecht heeft gebouwd en zelfs straten (Westerstraat en Stationsstraat) die door hem zijn aangelegd. [27] Vele jaren zat hij in ‘de directie der drie Maatschappijen tot verbetering der woningen voor arbeidenden en minvermogenden te Utrecht’. Verder noemde men de grote zaal van Tivoli* en Sociëteit de Vriendschap* te Utrecht. [28]

Zeist, Weeshuis aan de Slotlaan (1863-1864) tijdens de sloop, fotograaf onbekend 1958, no. NL-ZTGAZ_F_SLOTLAAN_000614, Geheugen van Zeist.Uit Zeist kennen wij onder andere het Weeshuis* (1863-1864) aan de Slotlaan. [29] Uit archief en rekeningen blijkt dat hij in Zeist in 1846-1847 een verdieping zette op het pand Beek & Royen in Zeist en in 1854 een openbare school bouwde Het in 1873 vervaardigde plan voor het Walkartpark wordt in de Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur onder voorbehoud aan Kamperdijk toegeschreven; bewijzen ontbreken ofschoon een aanwijzing zou kunnen zijn dat hij in hetzelfde jaar namens de dames Walkart aan de gemeente toestemming vraagt om uit te wegen op de Slotlaan. [30] Er zijn van hem tot nu toe nog geen tuinontwerpen bekend. Waarschijnlijk heeft hij de groenontwerpen overgelaten aan zijn vriend en werkpartner Samuel van Lunteren. Een bewijs van hun samenwerking is het Plan ter bebouwing van het bolwerk Lepelenburg te Utrecht uit 1860 dat als litho verscheen. [31]

Tot Slot

Gezien zijn oeuvre kan de Utrechtse architect Kamperdijk tot één van de bekende negentiende-eeuwse Nederlandse architecten worden gerekend. Zijn werkgebied lag voornamelijk in de provincie Utrecht. Enkele projecten, zoals langs de spoorlijn richting Zwolle, liggen binnen de grenzen van de omliggende provincies. Bekend werd Kamperdijk door zijn leermeester Kramm die hem de kennis van de bouwkunde, de bouwkunst, de tekenkunst en de bouwpraktijk bijbracht en hem introduceerde in het architectennetwerk. Hieruit kwam zijn bemoeienis met de Domkerk voort. Zijn invloed op en de vorming van Kamperdijk was groot. In het ontwerp voor een nieuwe kerk in Zeist is de invloed van Kramm duidelijk aanwijsbaar.
De ontwerpen die Kamperdijk maakte, pasten geheel in de stijl van zijn tijd. Het meeste gerealiseerde werk is in de neoclassicistische stijl ontworpen. Voor de neogotische stijl -die hij slechts bij twee kerken toepaste- inspireerde hij zich op de ontwikkelingen in Engeland, onder invloed van zijn leermeester Kramm.
Kamperdijk kreeg weliswaar bekendheid door zijn bekroning voor de prijsvraag van de nieuwe Oude Kerk te Zeist, maar een groot kerkenbouwer zoals zijn tijdgenoten Molkenboer en Te Riele is hij nooit geworden. Kamperdijk is daarentegen vanwege zijn jarenlange betrokkenheid bij de Dom van Utrecht en zijn vele restauratieadviezen wel te typeren als restauratiearchitect van kerken, zoals bij meer van zijn vakgenoten in de negentiende eeuw het geval was. Hij adviseerde onder andere bij de restauratie van de St. Johanneskerk te Montfoort en de St. Bartholomeuskerk te Schoonhoven.
Zijn samenwerking met Samuel van Lunteren bracht hem waarschijnlijk in contact met eigenaren van buitenplaatsen, kastelen en landhuizen. De vader van Samuel, Hendrik van Lunteren, was al rond 1830 met kasteel Sterkenburg in Driebergen-Reijsenburg bezig, toen in de zestiger jaren van de negentiende eeuw Kamperdijk de opdracht kreeg voor een verbouwing en enkele nieuwe bijgebouwen. De affiniteit die Kamperdijk had met de restauratie van oude gebouwen zou mogelijk de doorslag hebben gegeven om hem voor deze opdracht te vragen. Waarschijnlijk was dit ook de reden waarom Gustave Baron van Zuylen van Nyevelt (1846-1890) Kamperdijk raadpleegde over het herstel van kasteel De Haar in Haarzuilens. [32] Kamperdijk adviseerde de baron -dit moet vóór 1878 zijn geweest- om de ene helft af te breken om daarmee de andere te herstellen. Zoals bekend, zou aan het einde van de negentiende eeuw architect Pierre Cuypers het herstel realiseren.
Amersfoort, voormalig station Amersfoort aan het Smallepad 13-15, J.P. de Koning 1996, no. 20313968 collectie RCE.Hoe Kamperdijk precies in contact kwam met de verschillende spoorwegmaatschappijen is niet bekend, maar wel is vast te stellen dat hij via dit netwerk verschillende vervolgopdrachten kreeg. Een belangrijk deel van zijn gebouwde stations bestaat nog.
Uit alle tot nu toe bekende gegevens komt het beeld van een vriendelijk en consciëntieus mens op. Door zijn deskundigheid en ervaring werd hij veel geraadpleegd. Hoofdredacteur P.H. Scheltema van De Opmerker schreef dat Kamperdijk destijds nogal naam had. Door een leven van hard werken en behoorlijk wat persoonlijk leed was hij op 62-jarige leeftijd fysiek op. De laatste negen jaar van zijn leven kon hij in alle rust in Voorburg doorbrengen, te midden van zijn tweede vrouw, zijn vier kinderen en zijn vele kleinkinderen.
De samengestelde lijst met 47 werken van hem, vormt slechts een deel van zijn oeuvre. Ten opzichte van de lijst van Van der Heide met 26 locaties is de lijst fors uitgebreid. Van alle genoemde werken bestaat het overgrote deel nog. Kamperdijk zal in de toekomst zeker nog meer bekendheid en waardering kunnen krijgen als er meer onderzoek naar hem en zijn bouwwerken wordt gedaan. Het is niet uitgesloten dat nazaten nog materiaal van deze gerenommeerde Utrechtse architect in bezit hebben. Enkele gebouwen in de provincie Utrecht, waarvan de architect nu nog onbekend is, kunnen dan misschien alsnog aan hem worden toegeschreven.

[*: object afgebroken]

Bijlagen

Overzicht van werken van Kamperdijk in de provincie Utrecht (PDF, opent in nieuw venster)
Overzicht van werken van Kamperdijk buiten de provincie Utrecht (PDF, opent in nieuw venster)

Noten

[1] P.A. Scheen 1981, p. 258.

[2] Zie: Rosenberg 1995, p. 235-267. Na de middelbare school werd Lokhorst in de praktijk opgeleid bij architect C.A. Boll van Buuren (1818-1859). Vervolgens werd hij leerling/assistent bij Kamperdijk. In 1875, net voordat hij de grote overstap maakte, behaalde hij zijn landmetersdiploma. Zie ook: De Opmerker 14, 4 april 1903, jrg. 38, p. 108-109. J. van Lokhorst heeft ook les gehad van C. Kramm. Enige jaren is hij in dienst geweest bij architect Boll van Buuren.

[3] Oud Utrecht 76 (2003), no. 3 p. 66-73.

[4] Gadermeester is een oude aanduiding voor een beambte die belast is met het innen van gelden, vooral van de omslagen van landen en polders. H. Kamperdijk was in dienst van het departementaal bestuur van Utrecht en sinds 1836 aangesteld als gadermeester.

[5] F. van der Heide, ‘Nicolaas J. Kamperdijk (1815-1887)’; essay op: www.bonas.nl.

[6] Vriendelijke mededeling R.P.M. Rhoen, Zeist september 2008. Zie: www.genlias.nl. Francina Alvarez is de dochter van Pieter Cornelis Alvarez en Geertruij Besseling.

[7] De zoon Nicolaas J. F. kreeg op latere leeftijd enige bekendheid als directeur van de Koninklijke Nederlandsche Papierfabriek v/h Pannekoek & Co te Heelsum en als wethouder te Renkum. Hij overleed op 15-10-1923. Gijsberta Wilhelmina was getrouwd met Christiaan Gijsbertus Laurens Koolemans Beijnen (1843-1892), eigenaar van steenfabriek IJsseloord. Zij woonden vanaf 1867 in Willeskop te Montfoort. In 1901 gaat de fabriek over aan hun zoon Gijsbertus Johanns Willem Czn. Koolemans Beijnen. (http://www.encyclopedie-grofkeramiek.nl/grofkeramiek/show/356)

[8] Genealogieonline.nl geeft de volgende namen: Hermanus Kamperdijk (3/6/1939-24/7/1939); Hermanus Kamperdijk (2de zoon) (14/10/1840-5/9/1856); Pieter Cornelis Guillamo (4/10/1842-6/12/1842); Gerardus Guillaume Kamperdijk (14/3/1852-9/12/1855); Thomas Willem Kamperdijk (28/9/1853-6/5/1854) en Hermina Wilhelmina Kamperdijk (20/1/1856-20/8/1856).

[9] Op 19 oktober 1855 overleed zijn vader Hermanus Kamperdijk (67 jaar); op 24 oktober 1855 zijn moeder Gijsbertha Wilhelmina de Veer (64 jaar) en op 28 oktober 1855 zijn behuwde zuster Hermina Wilhelmina Kamperdijk (22 jaar). Zie: Utrechtsche provinciale en stads-courant 9 november 1855.

[10] Francina Alvarez werd in Rotterdam geboren op 27 december 1815. Zie: https://www.geni.com. en https://rotterdam.voorouder.nl.

[11] H.M. Mulder werd in Voorburg geboren op 25 mei 1821 en overlijdt daar op 6 september 1908. Zij is een dochter van Jan Mulder (1776-1844) en Maria van Rumpt (1784-1845). Zie: geni.com.

[12] Hendrina M. Kamperdijk overleed in Renkum op 11 mei 1901 op 35-jarige leeftijd, dus nog voordat haar moeder overleed. Zie: http://www.genealogieonline.nl/database-jansen/I253798.php.

[13] Naar onderzoekgegevens van P.R.M. Rhoen uit het bevolkingsregister Voorburg 1860-1921. Het bevolkingsregister van 1878 meldt dat Kamperdijk zonder beroep is.

[14] P.C. Wonder was in Utrecht enige tijd directeur van de ’Stads Teekenacademie’. Kramm ging 10 april 1815 -hij was toen bijna 18 jaar- bij hem in de leer. Zie: H.A. Pabbruwe, ’Christiaan Kramm als architect (1797-1875)’, doctoraalscriptie, Haarlem 1981, p. 1-23; hierin is ook een lijst van projecten van Kramm opgenomen. Wonder emigreerde in 1823 naar Engeland en vier jaar later zocht Kramm hem daar op. In 1831 keert Wonder terug naar Utrecht.

[15] T. Boersma 1989 p. 91-98.

[16] T. Boersma 1989, p. 102-109.

[17] Een publicatielijst van Kramm is te vinden in: Dr. Wap, ‘Levensbericht van den schrijver’ (ingebonden tussen voorwerk en genummerde pagina's van het Aanhangsel), in: Kramm 1857-1864.

[18] F. van der Heide, ‘Nicolaas J. Kamperdijk (1815-1887)’; essay op: www.bonas.nl.

[19] Vriendelijke mededeling -gebaseerd op onderzoek in het bevolkingsregister en de adresboeken der gemeente Utrecht in het Utrechts Archief- van B. Olde Meirink en J.J. Luijt, Utrecht-Zeist 2008.

[20] F. van der Heide, ‘Nicolaas J. Kamperdijk (1815-1887)’; essay op: www.bonas.nl.

[21] Het ‘Personenregister’ van het Koninklijk Instituut van Ingenieurs uit periode 1847-1869 vermeldt: ’Kamperdijk (N.J.) wordt lid. N. 59/60: 71’.

[22] Van Groningen 2000, p. 77.

[23] Van Eekeren en Kuijper 1974-1978, deel III.

[24] Zie noot 22.

[25] Haslinghuis en Peeters 1965. Diverse vermeldingen over Kramm en Kamperdijk.

[26] Rosenberg 1972, p. 100, 160.

[27] Algemeen Handelsblad 13-2-1887.

[28] Het concertgebouw Tivoli is in 1955 gesloopt. Het park Tivoli is 1929 verkocht en vervolgens met woningen en winkels vol gebouwd.

[29] Van Groningen 2000, p. 197.

[30] Oldenburger-Ebbers e.a. 1996, p. 270-271. R.P.M. Rhoen, ‘Een buitenplaats aan het Rond. De invloed van de Amsterdamse familie Walkart op de stedebouwkundige ontwikkeling van het centrum van Zeist’, in: Seijst 4 (december 1995), jrg. 25, p. 96.

[31] Door het ontbreken van archiefmateriaal en tekeningen is het moeilijk andere bouwwerken in Zeist aan hem toe te schrijven.

[32] Redactie ‘Architectura et Amicitia’ en J.Th.J. Cuypers, Gids voor het kasteel van Haarzuylens en omstreken: uitgeg. op den 25sten juni 1898, by gelegenheid van het bezoek aan het kasteel gebracht door het Genootschap ‘Architectura et Amicitia’, de Vereeniging ‘Bouwkunst en vriendschap’ te Rotterdam en eenige leden der afdeeling ‘Arnhem’ der ‘Maatschappij ter bevordering der bouwkunst’, Amsterdam-Haarzuylens-Haarlem 1898, p. 5.

 

Over de auteur

B.H.J.N. Kooij (1953) is sinds 1981 werkzaam als bouwhistoricus bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.


Literatuur

  • T. Boersma, ‘Tijdvakken van een ver verleden welke wij alzoo hopen te zien herleven; Christiaan Kramm en zijn betekenis voor het bouwkunstonderwijs en het ‘Gotische Architectuurteekenen’ aan de Utrechtse ‘Stadsschoolen voor Teeken- en Bouwkunde’ 1822 – 1866’, in: Sluitsteen jrg. 5, no. 3, 1989 p. 91-109.
  • C. Douma, ‘Drie historische spoorwegbolwerken langs het Moreelsepark’, in: Oud-Utrecht 76 (2003), no. 3 p. 66-73.
  • H.J. van Eekeren, uitgebreid en voltooid onder verantwoording van de Van der Poll-stichting te Zeist, door ds P. Kuijper, De Oude Kerk te Zeist [deel 1 t/m 4], Zeist 1974-1978.
  • C. L. van Groningen, Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst, de Geïllustreerde beschrijving, deel Utrechtse Heuvelrug: de Stichtse Lustwarande: buitens in het groen, Zeist-Zwolle 1999.
  • C.L. van Groningen, Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst, de Geïllustreerde beschrijving, deel Utrechtse Heuvelrug: de Stichtse Lustwarande: dorpen en landelijk gebied, Zeist-Zwolle 2000.
  • E.J. Haslinghuis en C.J.A.C Peeters, De Nederlandse Monumenten van Geschiedenis en Kunst, de Geïllustreerde Beschrijving: Deel II De provincie Utrecht, eerste stuk de gemeente Utrecht, tweede aflevering: De Dom van Utrecht, Voorburg-’s-Gravenhage 1965.
  • Christiaan Kramm, De levens en werken der Hollandsche en Vlaamsche kunstschilders, beeldhouwers, graveurs en bouwmeesters van den vroegsten tot op onzen tijd (strekkende tevens tot vervolg op het werk van I. Immerzeel Jr.), Dl. 1: A-H (1857) p. 1-640 ; Dl. 2: H-P (1859) p. 841-1280 ; Dl. 3: P-Z (1861) p. 1281-1910) ; Aanhangsel A-Z (1864) 172 p., Amsterdam 1857-1864.
  • C.S. Oldenburger-Ebbers, A.M. Backer en E. blok, Gids voor de Nederlandse tuin- en landschapsarchitectuur, deel Oost en Midden, Gelderland en Utrecht, Rotterdam 1996.
  • H.P.R. Rosenberg, De negentiende-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland, ’s-Gravenhage 1972.
  • P.T.E.E. Rosenberg, ‘Van Lokhorst, bloemetje van den kouden grond’, in: De Rijksbouwmeesters, Rotterdam 1995.
  • P.A. Scheen, Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1880, herzien door P.A. Scheen, ’s-Gravenhage 1981.
  • J.L. Beijers, Cataloque de la Bibliotheque et de la Collection Artistique délaisée par M. Chr. Kramm, Utrecht 1875.
  • J.L. Beijers, Catalogue des livres et manuscrits composant les collections de M. C.-M. van Gogh d'Amsterdam et M. N.-J. Kamperdijk d'Utrecht, Utrecht 1878.

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section

Contact

E: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.