Rietveld, Gerard Thomas (Gerrit)

Geschreven door Leon Bok op . Gepost in Kunst & Cultuur

* UTRECHT 24 juni 1888 – † UTRECHT 25 juni 1964

 

Rietveld gefotografeerd in december 1962 (Wikimedia Commons)Wie zoekt op de naam van Gerrit Rietveld, vindt al snel dat hij één van Nederlands bekendste architecten is, die ook internationaal veel aanzien geniet. Volgens kenners was zijn invloed op de ontwikkeling van het functionalistische bouwen enorm. Dat Rietveld zo’n internationaal befaamde architect zou worden, lag niet direct voor de hand. Hij werd geboren in het gezin van een meubelmaker met in totaal zes kinderen. Direct na de lagere school ging Rietveld in de leer bij zijn vaders timmer- en meubelwerkplaats in Utrecht. Werken van vijf ’s ochtends tot zeven ’s avonds voor een dubbeltje in de week! Hier leerde hij de fijne kneepjes van het meubelmakersvak. Met het werk wat geleverd werd, was hij niet echt tevreden. De traditionele massieve meubelen waren letterlijk niet zijn stijl. Dit was de reden dat hij enige tijd als tekenaar werkte in de werkplaats van de Koninklijke Utrechtse Fabriek van Juwelen, Zilverwerken en Penningen van de juwelier Carel Begeer. Maar Rietveld wilde meer. Tussen 1906 en 1911 volgde hij cursussen in architectuurtekenen. Hij kreeg onder andere lessen in technisch tekenen, stijl- en ornamentleer. In 1911 [1] opende hij zijn eigen meubelwerkplaats. Rietveld was toen 23 jaar oud.

Experimenteren

In zijn meubelwerkplaats experimenteerde Rietveld met nieuwe meubelvormen. In de avonduren volgde hij lessen bij de vooruitstrevende architect Piet Klaarhamer (1874-1954). Via Klaarhamer, die zelf opgeleid was door Berlage, maakte Rietveld kennis met het werk van moderne internationale architecten als Frank Lloyd Wright. In Nederland zelf maakte hij kennis met de architecten Robert van ’t Hoff (1887 – 1979) en Bart van der Leck (1876–1958). Mede door hun invloed ging Rietveld zich steeds meer toeleggen op architectuur. Ondertussen bleef hij experimenteren met meubels. De meubels die Rietveld ontwierp, waren niet alleen modern van uiterlijk, maar ook goedkoop en eenvoudig te produceren. Hierdoor werd het werk van de uitvoerende ambachtsman aanzienlijk vergemakkelijkt. In 1918 maakte Rietveld de voorloper van de later wereldberoemde 'Rood-blauwe stoel', een ingekleurde lattenleunstoel. Hoewel Rietveld de meubelen zelf nadrukkelijk als experimenten zag – de eerste 'Rood-blauwe stoel' zou hij voor zichzelf ontworpen hebben – adviseerde zijn vriend Van 't Hoff hem om contact te zoeken met het pas door Theo van Doesburg (1883-1931) opgerichte tijdschrift voor moderne kunst De Stijl. In juli 1918 publiceerde Theo van Doesburg, de hoofdredacteur, een kinderstoel van Rietveld in De Stijl en in september volgde de lattenleunstoel. De stoel die Rietveld eerder had ontworpen, was nu aangepast aan de opvattingen van De Stijl. Die bestonden uit het gebruik van de primaire kleuren (rood, geel en blauw), gecombineerd met zwart, grijs en wit binnen een zo eenvoudig mogelijke vormgeving. In 1919 ging hij op uitnodiging van Van Doesburg meewerken aan het tijdschrift De Stijl. 1919 was ook het jaar waarin Rietveld zich zelfstandig vestigde als architect.

De architect Rietveld

Als zelfstandig architect begon Rietveld in 1921 samen te werken met Truus Schröder-Schräder (1889-1985), een binnenhuisarchitecte die toen getrouwd was met de advocaat Adriaan Schröder. Hoewel Rietveld in 1911 trouwde met de verpleegster Vrouwgien Hadders (1883-1957), ontwikkelde zich tussen Truus Schröder en Rietveld een relatie. Na de dood van de echtgenoot van Truus Schröder in 1923 verdiepte hun relatie zich.

Rietveld en Hadders hadden toen al vijf kinderen en in 1924 werd de jongste geboren. Door verschillende oorzaken trad er geleidelijk een verwijdering op tussen de twee. Dit had deels te maken met het feit dat Hadders weinig affiniteit had met het werk van haar man. Overigens bemoeide Rietveld zich nauwelijks met de opvoeding van zijn kinderen. Wat ook niet bijdroeg aan hun relatie was het feit dat Rietveld het gereformeerde geloof opgaf.

Het Rietveld-Schröderhuis in 2012 (Beeldbank RCE)Zijn werk tussen 1919 en 1924 typeerde een overgang van meubelmaker naar architect. Verbouwingen en ontwerpen van interieurs waren de belangrijkste werkzaamheden. Het eerste volledige architectonische ontwerp dat hij maakte, was voor Truus Schröder. Zij wilde een kleinere woning voor haarzelf en haar drie kinderen. De professionele relatie tussen beiden ontwikkelde zich langzaam naar een meer intieme relatie. Het ontwerp voor het huis kwam ook in nauwe samenwerking tussen de twee tot stand. Toen het huis (het latere Rietveld Schröderhuis) gereed was, vestigde Rietveld er tot 1933 zijn architectenbureau. Verschillende projecten uit deze periode staan op naam van Schröder en Rietveld, zoals de slaapkamer en de woonkamer voor het echtpaar Harrenstein. Met het huis dat Rietveld voor Schröder bouwde, zou hij zijn faam als architect vestigen. De structuur die hij aan het huis meegaf en de kleurtoepassing maakten het huis tot een manifest van ‘De Stijl’.

Internationaal

In 1924 brak Rietveld met De Stijl. Zijn werk ontwikkelde zich steeds meer richting het functionalisme (een stroming in de architectuur die inhoudt dat constructie en uiterlijk bepaald (moeten) worden door de functie van het gebouw) en Rietveld identificeerde zich meer en meer met architecten van de Moderne Beweging. Ook internationaal maakt Rietveld indruk. Samen met Le Corbusier was hij in 1928 een van de oprichters van het Congrès Internationaux d'Architecture Moderne (CIAM). In een verklaring onderschreven de aangesloten architecten een aantal uitgangspunten voor eigentijdse architectuur- en stedenbouw. De stedenbouw zou meer moeten aansluiten bij de politieke en economische realiteit. Een van de belangrijkste ideeën die uit de CIAM voortkwamen, was die van de functionele stad. Wonen, werken en recreatie zouden in zo’n stad volledig van elkaar gescheiden zijn, iets wat voor ons vandaag de dag heel vanzelfsprekend overkomt.

Vanaf eind jaren twintig concentreerde Rietveld zich op ontwerpen van meubelen en architectuur die op industrieel-mechanische wijze gemaakt konden worden. Prefab is daar een voorbeeld van. Naast het ontwerpen besteedde Rietveld veel tijd aan het schrijven en publiceren van zijn ideeën in verschillende tijdschriften. Omstreeks 1930 vond Rietveld aansluiting bij de architecten van het Nieuwe Bouwen. Dit was de Nederlandse variant van de Internationale Stijl. Hij ontwierp in de jaren 1930-1932 een rij arbeiderswoningen in de Wiener Werkbundsiedlung in Wenen en in 1934 in samenwerking met Schröder een rij huizen aan de Erasmuslaan in Utrecht. In die periode werkte hij samen met Otto van Rees en Ries Mulder vanuit een atelier aan de Oude Gracht te Utrecht. Het gebeurde echter steeds vaker dat zijn ontwerpen helemaal niet werden uitgevoerd. Er brak een mindere tijd aan voor de moderne architectuur.

De Tweede Wereldoorlog en wederopbouw

Vanaf 1940 met de inval van de Duitsers en de daarop volgende bezetting, brak voor Rietveld een moeilijke tijd aan. Hij had zich niet bij de Kultuurkamer aangemeld en kon daarom vanaf 1942 formeel zijn beroep niet meer uitoefenen. Rietveld bleef echter gewoon ontwerpen. In 1942 ontwierp hij een uit één stuk geperste kunststof stoel. Gedurende de oorlog verging het ook zijn gezin niet goed. Een van zijn kinderen probeerde in 1943 te vluchten naar Engeland maar werd opgepakt. Na gevangenschap in Frankrijk wist hij te ontsnappen. Hij was al die jaren getrouwd gebleven met Hadders en onderhield nu goede contacten met zijn kinderen. Ook een aantal van zijn andere kinderen hadden een zware tijd gehad in de oorlog. Zo keerde zijn oudste dochter pas in 1947 terug nadat ze tijdens de oorlog in een interneringskamp in Nederlands-Indië had gezeten.

De typerende sheddaken van weverij De Ploeg in 2002 (Beeldbank RCE)De wederopbouw van Nederland leverde na de Tweede Wereldoorlog weer enig werk op voor Rietveld maar concrete opdrachten blijven uit. Hij voorzag gedeeltelijk in zijn levensonderhoud door les te geven aan academies voor bouwkunst en beeldende kunsten in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Arnhem. Het leek erop dat Rietveld de aansluiting bij de toen belangrijke architecten gemist had. Maar in de jaren vijftig kregen musea weer belangstelling voor het werk van De Stijl en dat leverde Rietveld weer werk op. Hij kreeg nu overheidsopdrachten voor nationaal representatieve gebouwen zoals het Nederlands Paviljoen voor de Biënnale in Venetië (1953-1954) en het Rijksmuseum Vincent van Gogh in Amsterdam dat tussen 1963 en 1973 gebouwd werd. Daarnaast ontwierp hij tal van woningen en gebouwen voor particulieren. Eind jaren vijftig en in de jaren zestig werd hij ook door tal van woningbouwverenigingen gevraagd ontwerpen aan te dragen voor grootschalige woningbouwprojecten. Niet alle De originele aula op begraafplaats De Wilgenhof in 2006, vlak voordat deze afgebroken werdontwerpen werden ook daadwerkelijk uitgevoerd, maar in Utrecht en Reeuwijk zijn uitgevoerde voorbeelden te vinden. Andere grote opdrachten uit die tijd waren voor de textielfabriek Weverij de Ploeg in Bergeijk (1954-1958) en de Julianahal van de Koninklijke Nederlandse Jaarbeurs in Utrecht (1953-1956). In 1958 kreeg hij de opdracht van de gemeente Haarlemmermeer om een ontwerp te maken voor een aula op de algemene begraafplaats De Wilgenhof. Dit ontwerp werd, aangepast door Johan van Dillen, opgeleverd in 1966 [2]. De samenwerking met Johan van Dillen was tot stand gekomen in 1961 toen hij samen met hem en Johan van Tricht het architectenbureau Rietveld Van Dillen Van Tricht oprichtte.

Laatste jaren

Na het overlijden van zijn vrouw in 1957 was Rietveld ingetrokken bij Truus Schröder in het latere Rietveld Schröder Huis. Hij werkte daar tot aan zijn dood. Eerbetoon liet hem koud, maar er vielen hem behoorlijk wat onderscheidingen ten deel. Zo kreeg hij in januari 1964 een eredoctoraat aan de Technische Hogeschool te Delft. In zijn dankwoord zei Rietveld verheugd te zijn met deze officiële erkenning. Hij gaf aan deze erkenning niet verwacht te hebben omdat hij naar eigen zeggen “altijd een soort piraat in het bouwen” was geweest.

Een aantal van zijn ontwerpen werden pas na zijn dood uitgevoerd of opgeleverd, zoals het Van Gogh Museum (1973), de kunstacademie in Amsterdam die zijn naam zou dragen (1967) en veel woningen, flats, een enkele school en een kerk. Hij liet niet alleen werken na in Nederland, maar ook in Duitsland, Oostenrijk, Italië, Frankrijk, België, Amerika en op Curaçao.

Overlijden

De overlijdensadvertentie zoals die op 27 juni 1964 in veel kranten verscheen (Delpher)Rietveld overleed net na zijn 76ste verjaardag op 26 juni 1964 in het Rietveld Schröder Huis. In de dagen erna werd het nieuws van het overlijden in veel landelijke en lokale kranten gemeld en werd de bouwmeester geroemd om zijn werk. De begrafenis vond plaats op 29 juni in Bilthoven op begraafplaats Den en Rust. De plechtigheid werd door honderden mensen bijgewoond. Onder hen hoogleraren, studenten, kunstenaars en vele vertegenwoordigers van overheden, musea en architectenbureaus. Aan het graf sprak de oudste zoon van Rietveld een dankwoord. Ondanks dat de kinderen van Rietveld betrokken waren bij de uitvaart, waren ze niet blij met de gang van zaken. Ze hadden liever gezien dat hun vader in Hilversum begraven zou worden, waar hun moeder eerder was begraven. De begrafenis werd echter geregeld door Truus Schröder wier naam bovenaan de overlijdensadvertentie stond. Na haar overlijden in 1985 is zij hier ook bijgezet.

De granieten hoofdsteen op het graf van Rietveld (foto René ten Dam)Wie vandaag de dag op Den en Rust zoekt naar het grafmonument van Rietveld zal echter niets vinden. In januari 1995 werden de stoffelijke resten van Rietveld, tien jaar na de rusttermijn van Truus Schröder, op verzoek van zijn dochters overgebracht naar begraafplaats Soestbergen in Utrecht. Op zijn graf ligt een hardstenen zerk met op het hoofdeind een strak vormgegeven granieten steen in de vorm van een lezenaar. Op de steen staat onderaan een zwart ingekleurde tekst: Dr. G. Th. Rietveld, Arch. 1888 1964, weduwnaar van Vrouwgien Hadders. Zij ligt er echter niet begraven want haar graf in Hilversum was al eerder geruimd. De steen is ontworpen door Rietveld’s zonen Jan en Wim.

Het grafmonument voor Evert Nijland, ontworpen door RietveldOp Soestbergen is nog een grafmonument van Rietveld te vinden. Niet voor hemzelf, maar voor Evert Nijland (1854-1909). Nijland was directeur van de jongensafdeling van de Nederlands Hervormde Burgerschool in Utrecht geweest. Rietveld en Nijland waren bevriend en als tekenaar bij de juwelenfabriek van Carel Begeer kreeg Rietveld de opdracht een monument te ontwerpen. Begeer schonk het monument aan de familie van Nijland. Rietveld’s hand is met name te ontdekken in de belettering en decoratie van het monument. Het grafmonument is vervaardgid van marmer en bestaat uit een liggend en staand deel. Het hoge staande deel oogt qua vorm redelijk klassiek. (2016)

 

Literatuur:

  • Gössel, Peter en Leuthäuser, Gabriele; Architectuur van de 20e eeuw, Keulen 1991
  • Diverse krantenartikelen via Delpher.

 

Bronnen:

 

[1] Vaak wordt ook 1917 genoemd als jaar waarin hij zijn eigen werkplaats opende.

[2] Deze aula is in 2003 in exacte kopie opnieuw gebouwd op begraafplaats de Meerterpen in Zwaanshoek bij Hoofddorp. De oorspronkelijk aula is daarna afgebroken.

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section

Contact

E: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.