Smilde - De Graftombe van Rebenscheidt

Geschreven door Marten Mulder op . Gepost in Drenthe

 

 

Zicht op het bosje met de tombe van de familie RebenscheidtEen karrenpad voert langs een aardappelveld naar een bosje, dat zich op enige afstand bevindt van de Tramweg; de weg die de stille kant vormt van de Drentse Hoofdvaart. Het bosje bevindt zich achter een boerderij met een wit voorhuis, dat een zekere voornaamheid uitstraalt en doet denken aan een havezathe of borg. Zo kent men de boerderij op Smilde ook, als "de borg", als herinnering aan het vroegere landgoed. Op het landgoed woonde eind 18e, begin 19e eeuw het echtpaar Rebenscheidt-Buschman.

Assenrode bekend als Dr. J.B.F. Rebenscheidt diende sinds 1758 als majoor-chirurgijn bij het Regiment Nassau-Weilberg. In 1773 trad hij in het huwelijk met de domineesdochter Catharina Henrina Buschman. Hij was toen 47 jaar, zij 35 jaar.
Het echtpaar was geen gemakkelijk leven beschoren. Het legeronderdeel werd nogal eens verplaatst en het was in die tijd geen gebruik dat de echtgenote haar man volgde. Zij bleef dus vaak alleen achter. Wel was er daardoor alle gelegenheid om haar niet geringe talenten als dichteres te benutten. Grieks en Hebreeuws gaven haar toegang tot de klassieken en de grondtekst van het Oude en het Nieuwe Testament.

 

Catharina Henrina Rebenscheidt-Buschman heeft zich direct aan het werk gezet, toen een oproep werd gedaan om een bijdrage te leveren aan een bundel liederen, die in de kerk zouden kunnen worden gezongen en die dicht bij de tekst van het Nieuwe Testament moesten blijven. Binnen vijf maanden na de oproep leverde zij een bundel van 70 gezangen in. De gezangen werden echter niet voldoende bevonden en daarom besloot zij ze zelf maar te laten uitgeven. In 1807 verscheen te Zwolle bij de uitgever J.L. Zeehuisen de bundel Gezangen van "Vrouw K.H.R.". Het bleef hier niet bij, want heel haar leven heeft zij genoten van het dichten. Niet alles bleef bewaard, maar na haar overlijden is er toch nog een bundel uitgekomen onder de titel Nagelatene Gedichten van Vrouwe K.H.B. wed. R. bij M. v.d. Bosch te Leeuwarden in 1818.
Uit haar poëtisch werk komt zij naar voren als een vrouw, die de klassieken kent en grote kennis heeft van de Bijbel. Zij blijkt een diepgelovige vrouw te zijn met een zeer ontwikkelde en aristocratische geest.

Jezus! Jezus! Door Uw magt
Lief'lijk God'lijk alvermogen
Zie mijn ziel, die op U wacht.
Sla op mij genadig de oogen,
Dan zal ik den dood ontvliên
En het eeuwig leven zien.

Het geloof heeft haar op de been gehouden in die "onbeschrijfelijke bange dagen, zware kluisters van droefheid en rouw". Zwaar drukte het leed, dat het echtpaar trof in het overlijden van de vier kinderen op zeer jonge leeftijd. Dat was ook de reden om weg te gaan van de plaats, waar zoveel herinnerde aan de kinderen, die ze hadden verloren. Van Hattem verhuisden zij naar Zwolle. De buitenplaats, die het echtpaar bezat in Hattem, droeg de naam: "Assenrode".

Inmiddels hadden zij in Drenthe een aantal percelen veen gekocht om te ontginnen en werkgelegenheid voor anderen te scheppen. Toen het voorste deel was afgegraven, lieten zij tegenover de in 1788 gereedgekomen Koepelkerk een huis bouwen, dat bij hun verhuizing van Hattem naar Zwolle in 1799 de naam "Assenrode" kreeg. Het werd hun zomerresidentie. Hier werd het volgende avontuur beleefd: Toen Rebenscheidt met echtgenote en logé, na een bezoek aan Kampen, zich te ruste hadden begeven, klonk middenin de nacht hevig glasgerinkel. Eerst werd gedacht aan de paarden, die mogelijk waren losgebroken, maar van paarden was geen sprake. Wel zag Rebenscheidt een kerel vlak voor zich met een blinkend instrument in zijn rechterhand. Pistool of mes? Wat hij wilde? Duizend gulden! Rebenscheidt weigerde, waarop de inbreker beweerde met meer te zijn en hem te zullen doodschieten. Daar er geen pistolen of geweren voor handen waren (deze lagen in een afgesloten kist), greep hij een sabel en riep de knecht met de opdracht geladen geweren en pistolen te brengen. Deze knecht, die de kamer binnenkwam, greep ook een sabel. Inmiddels had de logé zich met stok en mes bewapend en zwaaide mevrouw Rebenscheidt met een knots. De indringer koos het hazenpad.
Kort na deze gebeurtenis is de majoor-arts Rebenscheidt overleden. Mevrouw Rebenscheidt vestigde zich toen voorgoed op Smilde.

ToegangspoortRebenscheidt werd begraven in de tombe, die zich bevindt middenin het genoemde bosje achter "de borg", het graf dat hij zelf liet aanleggen. Toen hij in 1803 overleed, liet zijn echtgenote een ondiepe gracht graven rond de tombe. Toegang tot de tombe geeft een poort met het opschrift: Doodsdal-Slotperk. Op die poort treffen we ook aan het volgende gedicht:

Wij zij gelijk aan het haft der rups en vlindervlieg
ons lichaam is een worm, de geest neemt wonderlijke vlucht
uit boogen tot Gods eer of zingt in toovers ween
Leer wisselworm uw plicht 't hooge doel van uw bestaan.

Zichtbaar is hoe de poort als ophaalbrug kan functionerenDe deur van de poort fungeert als een soort ophaalbrug.

Op de beide sluitstenen aan de voorzijde van de tombe bevindt zich een soort samenspraak in dichtvorm. Op de linker sluitsteen wordt gesproken tot de dood, op de rechter antwoordt de dood. De tekst is overigens zeer moeilijk te ontcijferen en wacht op een behandeling om deze tekst goed zichtbaar te krijgen. In de tombe liggen begraven: het echtpaar Rebenscheidt, hun vier kinderen en twee honden.

Het onderhoud van het graf is voor rekening van de burgerlijke gemeente, die hiertoe een som geld Tombeontving.

Het echtpaar Rebenscheidt was kerkelijk zeer meelevend en hun betrokkenheid bij de hervormde kerk ter plaatse was groot. Een zilveren dienblad en twee zilveren Avondmaalsbekers werden aan de kerk geschonken, terwijl een legaat van 1000 gulden werd bestemd voor een orgel in de Koepelkerk. (2002)

 

Bron

  • Archief van het echtpaar W.S. de Jonge, huidige bewoners en eigenaars van Assenrode

 

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section