Amerongen - Oude Algemene Begraafplaats

Geschreven door Brigitte Giesen-Geurts en Leon Bok op . Gepost in Utrecht

 

In 2005 liet de gemeente Amerongen (sinds 1 januari 2006 opgegaan in Utrechtse Heuvelrug) een interessant rapport het licht zien: het Plan voor Instandhouding en Ontwikkeling (PIOBB) van de oude algemene begraafplaats in Amerongen. Het gaat hier om een karakteristieke 19de eeuwse dorpsbegraafplaats die zeer gaaf bewaard is en daarmee bijzonder in zijn soort. Dat laatste aspect komt ook tot uiting in de aanwijzing van de begraafplaats tot rijksmonument in 1998.
De relatie van de begraafplaats met kasteel Amerongen en zijn bewoners maakt een belangrijk en onlosmakelijk onderdeel uit van de geschiedenis van de begraafplaats en zijn omgeving. De aanwezige monumentale waarden zijn echter kwetsbaar en aan verval onderhevig. Om die waarden ook op de lange termijn veilig te stellen, heeft de gemeente Amerongen, eigenaar en beheerder van de oude begraafplaats, een toekomstvisie laten opstellen. In opdracht van de gemeente leverde Welstand en Monumenten Midden Nederland [1] de projectleider/documenthouder, Brigitte Giesen-Geurts. Onder haar leiding werd een projectgroep geformeerd die in de periode van april tot en met oktober 2005 een gezamenlijke visie op de toekomst van de oude begraafplaats ontwikkelde. De projectgroep bestond uit medewerkers van verschillende sectoren van de gemeente Amerongen (waaronder monumentenzorg, begraafplaatsbeheer- en administratie), de funerair deskundige van de toenmalige Rijksdienst voor de Monumentenzorg en de Monumentenwacht Utrecht. Ook verschillende vrijwilligers droegen hun steentje bij aan het tot stand komen van de visie en het uiteindelijke rapport.
Uit het onderzoek kwamen nieuwe feiten over de begraafplaats naar voren en werden andere zaken, zoals de toestand van de bomen en de grafmonumenten, duidelijk. Daarmee konden keuzes gemaakt worden voor de begraafplaats die de instandhouding en ook de ontwikkeling ten goede komen. Het is nu aan de gemeente Utrechtse Heuvelrug om het plan verder uit te voeren. De geschiedenis van de begraafplaats blijft er niet minder interessant om.

 

Ontstaansgeschiedenis

Op grond van het Koninklijk Besluit van 24 mei 1825, nummer 162, dat bepaalde dat in gemeenten met meer dan duizend inwoners per 1 januari 1829 de overledenen niet langer binnen de bebouwde kom mochten worden begraven, was de gemeente Amerongen verplicht om een nieuwe begraafplaats aan te leggen. Aan deze wettelijke eis werd voldaan doordat de (minderjarige) heer Van Amerongen, George Graaf Van Reede van Athlone via zijn voogd een stuk grond afstond aan de burgerlijke gemeente. De familie speelde ook later een grote rol bij de uitbreiding in 1873. Toen werd een erfpachtovereenkomst gesloten met Vrouwe Douarière Elisabeth Maria Villiers geboren gravinne Van Reede Ginkel waardoor de begraafplaats in oostelijke richting kon worden uitgebreid. In 1925 vond een tweede en laatste uitbreiding plaats, eveneens in oostelijk richting. Wederom gaf de toenmalige heer van Amerongen, Godard John George Carel Graaf Van Aldenburg Bentinck, grond in erfpacht uit aan de gemeente. Uitzondering op de erfpachtovereenkomsten vormden de twee stukjes grond waarop de grafkelders van de families Van Reede Ginkel en Van Aldenburg Bentinck zijn gebouwd. Deze zijn nog steeds privé-eigendom van de familie.

 

Voor 1829: banden van de kasteelheren en -vrouwen met Nederlandse Hervormde Gemeente

Alvorens de geschiedenis van de algemene begraafplaats te vertellen, is het van belang een relatie te leggen met de Nederlandse Hervormde Andrieskerk op de Hof te Amerongen. De heren en vrouwen van Amerongen namen binnen de Nederlandse Hervormde kerk van Amerongen een belangrijke plaats in, die tot ruim in de 20ste eeuw stand hield. Zo hadden zij ondermeer het recht om twee kerkvoogden (waaronder de president) en twee notabelen te benoemen. Ook bij de benoeming van de predikant waren zij direct betrokken. Van dit "heerlijke" recht maakten zij tot in 1927 vrijwel ononderbroken gebruik. Dat dit niet altijd tot genoegen van de kerkelijke gemeente was, is ondermeer te zien in stukken van rond het jaar 1872, waaruit onenigheid blijkt over de benoemingen tussen de kerk en Gravin Villiers, geboren Van Reede Ginkel. De opvolger van gravin Villiers, Godard Graaf Van Aldenburg Bentinck doet in een verklaring van 28 november 1927 afstand van zijn rechten. Hij memoreert dat "door my en myne voorgangers in het recht als ambachtsheer der hooge en vrye heerlykheid Amerongen sedert de Reformatie, en persoonlijk gedurende achtenveertig jaren, is uitgeoefend het recht van de opperdirectie over de kerkelijke goederen der Nederlandsch Hervormde Gemeente te Amerongen, welk recht meebracht de benoeming van kerkvoogden, die het beheer volgens een door hen vastgesteld Reglement op het beheer der kerkelijke goederen en fondsen uitoefende". Een Grondwetswijziging van 1922, waarin de heerlijke rechten tot benoeming van personen in openbare of kerkelijke betrekkingen werden afgeschaft, noopte graaf Bentinck tot deze verklaring. Hoewel hij eraan twijfelt of "het syn van kerkvoogd is eene kerkelijke betrekking" wenst graaf Bentinck "elken twist over deze vraag met de kerkelijke gemeente [...] te vermeyden" en doet afstand van dit "my van ouds toekomende recht" [2].
De eeuwenlange banden van de kasteelheren met de Hervormde Gemeente blijken ook uit de bekostiging van diverse restauraties, de schenking van ondermeer een koorhek (1679) en doopvont (1885) en de aanwezigheid van de grafkelder en de bijbehorende rouwborden van de heren en vrouwen van Amerongen, waarvan het oudste uit 1605 dateert. Het grafmonument van Goert van Reede (overleden 1585) en Geertruid van Nijenrode (overleden 1605), de stamhouders van het geslacht Van Reede die Huis Amerongen in 1557 kochten, kent als zodanig een roerige geschiedenis. De beelden werden in 1907 eervol teruggeplaatst boven de familiegrafkelder in het koor van de kerk. Nu staat het grafmonument bij de noordelijke wand van het schip achter de preekstoel.
In de relatie tussen de kasteelheren en de Hervormde Gemeente is ook de bouw van de zaalkerk aan de Haarweg 33 in Overberg vermeldenswaardig. De kerk, die in 1874 werd gebouwd, vertoont opvallende overeenkomsten met het baarhuisje op de oude begraafplaats, dat uit 1875 dateert [3].

Zicht_op_de_AndrieskerkDe belangrijkste reden om in het verband van dit verhaal de Hervormde kerk te noemen, is echter het feit dat begravingen vóór het Koninklijk Besluit van 1825 in, en van de minder draagkrachtigen rondom, de kerk plaats vonden. Een 18de eeuwse plattegrond uit de archieven van de Nederlandse Hervormde Gemeente [4] laat zien hoe de vakindeling van de graven in de kerk was. De grafkelder van de Van Reede's staat er niet op aangezien die zich in het koor bevond.
Interessant is de bij de plattegrond behorende begraafadministratie. Daaruit blijkt dat deze is bijgehouden tot "c. 1824". Dat is nagenoeg gelijk aan de aanleg van de algemene begraafplaats. In relatie hiermee zijn ook twee uit 1829 daterende aantekeningen van belang uit de verantwoording van rentmeester G. de Ridder over 1828-1830, uit het archief van huis Amerongen [5]:
- "transport lijk F C R Graaf van Reede en Athlone, vanuit Engeland via Rotterdam, bijgezet in de familiekelder op het koor der kerk"
- afrekening "Verbrugh te Lienden, metselstenen voor de nieuwe grafkelder".

De bouw van de nieuwe grafkelder op de algemene begraafplaats luidde het einde van het begraven in en om de Andrieskerk in. De allerlaatste bijzetting in de grafkelder vond in 1852 plaats. De grafkelder werd bij de restauratie van de kerk in 1991 voor het laatst geopend, in het bijzijn van nazaten van de familie Van Aldenburg Bentinck. De grafkelder werd beschreven en er werd een gekalligrafeerde oorkonde over deze gebeurtenis in de kelder achter gelaten [6]

 

1829: Eerste aanleg van de "Algemene Burgerlijke Begraafplaats" en bouw grafkelder familie Van Reede Ginkel

De algemene begraafplaats van Amerongen werd aangelegd in 1829 op een stuk grond direct ten oosten van de dorpskern, volgens voorschrift buiten de bebouwde kom. Op de oudst bekende plattegrond [7] is te zien dat de begraafplaats in 1829 nagenoeg vierkant van vorm is. De indeling bestaat uit vier begraafvakken van gelijke grootte, omgeven door paden, met aan de oostzijde een rij grafkelders. De middelste kelder, met opschrift A, is de nieuw gemetselde kelder van de familie Van Reede, waarover hiervoor al werd geschreven. De hoofdingang van de begraafplaats ligt aan de westzijde. Op de plattegrond is deze getekend als een ijzeren vleugelhekwerk tussen bakstenen pijlers. Uit het bijschrift bij de plattegrond mag voorzichtig geconcludeerd worden dat de gehele begraafplaats in 1829 omgeven werd door een bakstenen muur ("met de overige Muure en IJzeren Hek"). Vandaag de dag resteert nog een anderhalf steens brede muurfundering ten oosten van de rij met grafkelders.

oudste_deel_begraafplaatsDe eerste grafrechten werden uitgegeven in de twee noordelijke grafvelden, de huidige begraafvakken B en C. Er staan hier zandstenen nummerpaaltjes, die voorheen zwart en wit geschilderd waren. Deze paaltjes hebben een bijzondere herkomst: het zijn montantstenen [8] van de voormalige ramen uit de Andrieskerk, die in deze periode van nieuwe ramen werd voorzien! Een plattegrond uit 1864 laat een overzicht van de eerste graven en eigenaren zien, uitgezonderd de grafkelders [9].

 

1837: Overdracht aan de gemeente

Het lukte de burgerlijke gemeente niet om de benodigde gelden voor aankoop van de begraafplaats te verwerven. De familie Van Reede stond vervolgens de grond af. Dit blijkt uit een transcriptie van de acte van overdracht uit 1837 [10]. Tevens blijkt uit punt 2 van de acte dat de Nederlandse Hervormde Gemeente kennelijk door middel van bepaalde jaarlijkse uitkeringen schadeloos werd gesteld voor de inkomstenderving uit begraven in de kerk. Uit de afrekening van de acte blijkt de geldwaarde van de begraafplaats:

"De ondergetekenden verklaart dat het twintig voudig
bedrag der uitkeering in bovenstaand acte vermelde
de waarde van het overgedragen perceel uitmaakt

Get. J.W.A. Immink"

 

Twintig maal het bedrag van de jaarlijkse uitkering van de Graaf van Reede aan de Hervormde Gemeente is 20 x fl 8,70 = fl. 174,-.

 

1873-1875: Eerste uitbreiding van de begraafplaats

Na een kleine vijftig jaar ontstond er ruimtegebrek op de algemene begraafplaats omdat alle grafrechten waren "verkocht". Ten behoeve van een uitbreiding van de begraafplaats werd in juni 1873 een erfpachtovereenkomst gesloten tussen de burgerlijke gemeente en Elisabeth Villiers, geboren gravin Van Reede Ginkel [11]. Uit de voorwaarden komt naar voren dat de grond in "altijddurende" erfpacht werd afgestaan tegen een jaarlijks te betalen erfpacht ten bedrage van "negen gulden dertig cent".

De uitbreiding vond plaats in oostelijke richting. Er is geen plattegrond uit deze tijd beschikbaar, maar op een topografische kaart uit 1906 is zichtbaar dat de begraafplaats langwerpiger van vorm is dan op de kadastrale minuut van 1830. Dit komt overeen met "een gedeelte grond gelegen aan de oostzijde van de bestaande begraafplaats en onmiddellijk daaraan grenzende" zoals in de erfpachtovereenkomst staat. Tevens is er een plattegrond van de begraafplaats uit circa 1950 [12]. Daarop is met potlood door een voormalige beheerder van de gemeente aangetekend waar de oostelijke grens van het gedeelte uit 1873 zich bevond.
Baar_en_lijkenhuisjeIn de erfpachtovereenkomst is te lezen dat een "rijweg ter breedte van vijf meters naar den grooten rijksweg 1e klasse" deel uitmaakte van het grondstuk. Hieruit kunnen we het ontstaan van de nieuwe, (huidige) hoofdingang aan de noordzijde reconstrueren. Behalve de nieuwe hoofdingang kwam toen ook het baar- en lijkenhuisje tot stand. Het bouwen van baar- en lijkenhuisjes kwam in deze tijd algemeen voor en was een gevolg van een andere kijk op hygiëne en gezondheidszorg, met name vastgelegd in de Wet op de Besmettelijke Ziekten. Het huisje is opgedeeld in twee ruimten. In de ene helft werden, in afwachting van de begrafenis, de lijken gelegd van mensen die aan een besmettelijke ziekte waren overleden. Door deze gescheiden te houden van de levenden werd de kans op besmetting geminimaliseerd. Aan de ander zijde werden diegenen opgebaard, waarvan de dood nog niet met zekerheid kon worden vastgesteld. Begraven mocht pas na 36 uur, omdat de ervaring leerde dat de dood daarna zeker was ingetreden. Deze termijn is tot op de dag van vandaag in de Wet op de lijkbezorging gehandhaafd.

 

Het baar- en lijkenhuisje, de hoofdingang en het gehele hekwerk rondom de begraafplaats werd aanbesteed in 1874-1875 [13]. In het bestek en voorwaarden voor "IJzeren afsluithekken om de begraafplaats te Amerongen" treffen we de beschrijving aan van geheel nieuw smeedijzeren hekwerk en een smeed- en gietijzeren toegangshek ("oprijhek") met ondermeer vier vierkante gegoten ijzeren pijlers en de funeraire symbolen zandlopers, palmetten, fakkels en kruizen. Er zijn twintig aanbestedingsbrieven voor deze hekken in het gemeentearchief aanwezig. Tevens zijn er enkele aanbestedingen uit 1875 voor de bouw van het muurwerk en de bouw van een "baar- en lijkenhuisje". Van de gietijzeren gedeelten en de funeraire symbolen is onbekend of deze ooit zijn uitgevoerd. In ieder geval is er niets van bewaard gebleven. De smeedijzeren delen zijn er nog wel.

De indeling in begraafvakken in het deel uit 1873-1875 was hoogstwaarschijnlijk gelijk aan de huidige situatie. Er zijn twee langwerpige begraafvakken, gescheiden door een middenas in west-oostelijke richting, omgeven door paden. Bij het baarhuisje is een vak waar in eerste instantie acht grafkelders met de nummers 16 t/m 23 werden uitgegeven, van noord naar zuid en vervolgens in oostelijke richting. Uit de grafschriften, in combinatie met gegevens uit de begraafregisters, blijkt dat deze acht grafkelders zijn "gekocht" en/of dat een eerste begraving plaats vond in de periode van 1875 tot 1919 [14]. Na 1927 werden aan de oostzijde van dit vak nog eens vijf kelders toegevoegd met de nummers 24 t/m 28.

ToegangspoortIn 1887 vond een belangrijke vernieuwing plaats op de begraafplaats, te weten die van het grafmonument op de grafkelder van de Van Reede Ginkels op het deel uit 1829. Aan de oostzijde van het monument werd de inscriptie "hernieuwd 1887" toegevoegd. De inscriptie was goed leesbaar vanaf het nieuwe deel van de begraafplaats. De oriëntatie van het grafmonument bleef echter expliciet naar de westzijde gericht, mede om de praktische reden dat de ingang (trap) van de kelder zich daar bevindt. De opdracht tot vernieuwing van het grafmonument was gegeven door de toen 30-jarige Godard John George Carel Graaf Van Aldenburg Bentinck, die Amerongen in 1879 had verworven. Hij was een neef van voornoemde Elisabeth, (Rijks)gravin Van Reede, de laatste van het geslacht Van Reede. Zij was in 1897 overleden.

 

1925: Tweede en laatste uitbreiding

Evenals bij de eerste uitbreiding ontstond na ongeveer 50 jaar wederom ruimtegebrek op de begraafplaats. In 1925 sloot de burgerlijke gemeente nogmaals een erfpachtovereenkomst [15] met de kasteelheer van Amerongen. Dit was de inmiddels 68 jaar oude Godard graaf van Aldenburg Bentinck, die vele jaren een belangrijke invloed had op zowel het Huis als de dorpsgemeenschap van Amerongen.

Mausoleum_BentinckDe uitbreiding van 1925, met zijn karakteristieke gebogen afsluiting, is op het breedste punt slechts 15 meter diep. Centraal staat de in 1925 door de Amersfoortse architect J.H. Pothoven ontworpen grafkelder van de familie Van Aldenburg Bentinck. De bovengrondse opbouw heeft de vorm van een klassieke (Romeinse) tempel. Deze wordt in Amerongen "het mausoleum" genoemd. Strikt genomen is dit niet een mausoleum want de kelder bevindt zich ondergronds, terwijl een mausoleum juist gekenmerkt wordt door het bovengronds begraven. Het "mausoleum" staat op de kruising van de west-oost georiënteerde as, die reeds in 1873-1875 aanwezig was en een brede, noord-zuid gerichte as. Bovendien staat het mausoleum in het verlengde van de Bergjessteeg, een uit circa 1760 daterende zichtas op de Amerongse Berg, aan de overzijde van de Rijksstraatweg. In de erfpachtovereenkomst uit 1925, staat een vrij uitzicht op de Rijksstraatweg als expliciete voorwaarde genoemd. Bij de uitbreiding van 1925 werd het smeedijzeren hekwerk uit het oudere deel hergebruikt. De gebogen afsluiting werd versterkt door de aanleg van de begraafvakken, die aan de oostzijde de gebogen vorm volgen. Ter weerzijden van het mausoleum werden kleine, rechthoekige begraafvakken gerealiseerd met vooraan een rij keldergraven/familiegraven, waarin de eerste begraving eveneens in 1925 plaats vond.

 

1937: Verschuiving van activiteiten naar nieuwe begraafplaats aan de Holleweg

Al vrij snel na 1925 ontstond opnieuw ruimtegebrek op de begraafplaats. In 1937 werd daarom aan de Holleweg een geheel nieuwe begraafplaats door de gemeente aangelegd. Het zwaartepunt van de begraafactiviteiten verschoof hierheen. Een uitbreiding van de begraafplaats aan de Holleweg volgde in 1972. De oude begraafplaats werd minder gebruikt en raakte in verval, maar is nooit "gesloten". Er vinden nog met enige regelmaat bijzettingen plaats in eigen graven of kelders.

 

De oude begraafplaats te Amerongen anno 2006

Nog steeds ligt de oude begraafplaats direct buiten de bebouwde kom van Amerongen, in oost-westelijke richting parallel aan de Rijksstraatweg. De begraafplaats manifesteert zich als een "open plek" in het bos. Aan drie zijden wordt ze omgeven door bos en aan de noordzijde door hoge bomen, die de begraafplaats vanaf de Rijksstraatweg grotendeels aan het zicht onttrekken. Sinds de eerste aanleg in 1829 is de omgeving van de begraafplaats nagenoeg hetzelfde gebleven. Zo heeft er geen uitbreiding van het dorp plaats gevonden in de nabijheid.

De plattegrond van de begraafplaats is rechthoekig met een gebogen afsluiting aan de oostzijde. De aanleg is eenvoudig en typerend voor een dorpsbegraafplaats uit deze periode. Er is een aantal rechthoekige begraafvakken, ingevuld met gras en daarin de grafmonumenten. De vakken worden omgeven door een gridvormig padenstelsel, uitgezonderd de meest oostelijke zijde, waar de paden en rijen grafmonumenten de gebogen vorm volgen. De paden zijn niet verhard. Een centrale middenas, waarin de twee belangrijkste grafmonumenten liggen (Van Reede Ginkel en Van Aldenburg Bentinck) deelt de begraafplaats in twee gelijke helften. Er zijn drie belangrijke noord-zuid-assen, te weten as tussen de hoofdentree en het baarhuisje en twee aan de westzijde van respectievelijk de twee grafmonumenten Van Reede en Bentinck.

Het groene karakter van de begraafplaats wordt sterk bepaald door het omliggende bos. De specifieke groenaanleg binnen de hekken van de begraafplaats beperkt zich tot zeven rode beuken (waarvan er twee zijn geënt) en een dubbele rij geschoren coniferen ter weerszijden van het pad tussen de hoofdingang en het baarhuisje.
De rode beuken staan verspreid over de begraafplaats, ondermeer ter weerszijden van de hoofdentree en bij het baarhuisje. De aanplant van de beuken hield verband met de eerste uitbreiding van de begraafplaats en moeten zijn geplant tussen circa 1875 en 1900. In de nabije omgeving staat een rij beuken die mogelijk uit dezelfde periode dateert. Bij de individuele grafmonumenten is in een aantal gevallen typerende grafbeplanting te zien met vaak de symbolische betekenis van eeuwig groen (eeuwig leven), zoals taxus, buxus en klimop.

 

Sfeergebieden

Grafmonument familie Van ReedeHoewel de begraafplaats niet erg groot is, zijn er toch drie verschillende "sfeergebieden" te onderscheiden. Deze zijn duidelijk gerelateerd aan de drie fasen waarin de begraafplaats tot stand is gekomen. Bij het oudste deel uit 1829 bestaat een contrast tussen de nagenoeg lege begraafvakken en de rij grafkelders, met centraal gelegen het monument Van Reede Ginkel. Karakteristiek zijn de nummerpaaltjes, die in het noordelijke deel, in de vakken C en D, van zandsteen zijn (voorheen zwart met wit geschilderd) en in het zuidelijke deel van hardsteen. In de zuidwesthoek staat een solitaire rode beuk. Alle grafmonumenten in de begraafvakken zijn naar het oosten gericht, zoals gebruikelijk, terwijl de monumenten op de grafkelders naar het westen zijn gericht. Daar was aanvankelijk de hoofdingang van de begraafplaats.
De "leegte" van de begraafvakken, in combinatie met de nummerpaaltjes geven dit deel een geheel eigen sfeer. Door de "leegte" krijgt ook het grafmonument van de Van Reede Ginkels een opvallend prominente plaats in de aanleg van 1829.
In het deel dat werd aangelegd tussen 1873-1875 vormen het pad van de hoofdentree naar het baar- en lijkenhuisje, met de geschoren coniferen een karakteristiek deel. Hier staan vijf van de zeven rode beuken, alsmede een klein vak met grafkelders. Voorts zijn er in dit deel twee grote begraafvakken die door een breed middenpad worden gescheiden. In tegenstelling tot het deel uit 1829 zijn er in de grote begraafvakken vrijwel geen lege plekken. De nummerpaaltjes bij de graven zijn van hardsteen, identiek aan die in het zuidwestelijke deel uit 1829. De meeste grotere grafmonumenten (familiegraven/keldergraven) bestaan uit verhoogd gelegen hardstenen dekplaten zonder versieringen. Hooguit staat de familienaam erop of een eenvoudige graftekst. Soms staat de tekst op een stèle. Veel grafmonumenten worden omgeven door smeedijzeren hekwerk, typerend voor de periode tussen circa 1880 en 1910. De meeste overige graven lijken geen kelder- maar zandgraven te zijn. Behalve liggende dekplaten staan er stèles, vaak met wat verfijndere vormen en belettering. Er zijn ook graven, van iets jongere datum (tot circa 1930-1935) die met hoekpaaltjes en kettingen zijn omgeven. De ligging van de grafmonumenten is voor ongeveer de helft naar het westen en de andere helft naar het oosten gericht. Daar waar voorheen de noordoosthoek van de begraafplaats was, staat een geënte rode beuk. Aan de westzijde van het zuidelijke begraafvak, is een klein gedeelte met alleen hardstenen nummerpaaltjes, waar vrijwel geen grafstenen zijn.
De aanleg in twee grote, volle vakken, de vormgeving van de grafmonumenten en de grote hoeveelheid gietijzeren hekken, geven de aanleg 1873-1875 een romantische, 19de eeuwse sfeer, zoals voor die tijd gebruikelijk bij de aanleg van begraafplaatsen. Met de uitbreiding van 1874 beoogde de gemeente kennelijk niet om een eenheid met het oudere deel te creëren. Beide delen staan min of meer op zichzelf.

De laatste aanleg uit 1925 is slechts 15 meter diep, maar wordt gedomineerd door het mausoleum van de familie Van Aldenburg Bentinck, met een voorpleintje omgeven door muurtjes en een toegangshek met grote taxussen ter weerszijden. De rij familiegraven/keldergraven naast het mausoleum is eenvoudig van karakter. De graven zijn voorzien van verhoogd gelegen hardstenen dekplaten. De oudste begraving, ter linkerzijde van het mausoleum, dateert uit 1925. Achter de rij keldergraven, nog steeds ter weerszijden van het mausoleum, zijn aan weerszijden twee kleine rechthoekige begraafvakken met al dan niet individuele zandgraven.
De begraafplaats eindigt aan de oostzijde in een in eerste instantie onopvallende, maar opmerkelijke en karakteristieke gebogen oostelijke afsluiting, die zowel in het hekwerk als de aanleg is toegepast. Met name van buiten het hek is deze gebogen afsluiting goed zichtbaar. De aanleg bestaat hier uit drie rijen zandgraven, die de gebogen vorm van het hekwerk volgen De binnenste rij is naar het westen gericht, de buitenste twee rijen naar het oosten, naar het hek toe. Aan de vormgeving en het materiaalgebruik is te zien dat de zandgraven van een veel jongere datum zijn dan de rest van de begraafplaats, incidenteel tot 1990 toe.
Door middel van het gebogen hekwerk (waarbij het oude hek is hergebruikt), de symmetrie van de begraafvakken, de voortzetting van de eenvoudige padenstructuur uit de twee oudere delen en het plaatsen van het "mausoleum" in de centrale west-oost-as waarin ook het monument voor de Van Reede Ginkels is gelegen, wordt in de aanleg van 1925 op eenvoudige wijze een eenheid geschapen in de in drie periodes tot stand gekomen algemene begraafplaats.

 

Bijzondere grafmonumenten

De begraafplaats is in oorsprong verdeeld in drie klassen, te weten huurgraven, eigen graven en zogenaamde "onvermogenden". Het merendeel bestaat uit zogenaamde "eigen graven", met eeuwig durend recht. De plattegrond van rond 1950 laat nog duidelijk de verdeling in de verschillende klassen zien.
De begraafvakken zijn voor een groot deel nog ingevuld met graven, uitgezonderd een groot deel van de vakken "huurgraven" en "onvermogenden". Er zijn bijzonder veel familiegraven aanwezig, grafkelders en keldergraven, die bedekt zijn met eenvoudige liggende dekplaten van hardsteen, vaak alleen van de familienaam voorzien. Ook zien we bij deze graven veel stèles met alleen de familienaam. De grafmonumenten uit de periode tussen circa 1880 en 1910 zijn in veel gevallen omgeven door smeedijzeren hekwerken. De grafmonumenten op de zandgraven hebben doorgaans staande stenen (stèles) aan het hoofdeinde. Meestal zijn hier meerdere personen van één familie begraven. Tot circa 1930 werden grafmonumenten voorzien van paaltjes met kettingen, tot circa 1960 zien we dat ze zijn omgeven door stenen banden met grind en/of groen. Grafmonumenten van een latere datum zijn er in mindere mate op de oude begraafplaats. De momenteel veel gebruikte gepolijste granieten stenen en dekplaten treffen we slechts incidenteel aan.

We zien dat, behalve de heren en vrouwen van het kasteel Amerongen en ridderhofstad Natewisch, in de grafkelders veelal de notabelen van het dorp begraven werden. Leden van de familie De Ridder waren bijvoorbeeld rentmeester op het kasteel en ook zien we grafmonumenten van dominees en burgemeesters.

Tussen de grafmonumenten bevinden zich enkele opvallende exemplaren, zoals het neo-classicistische grafmonument van de familie Van Reede Ginkel. Het is niet bekend welk grafmonument tussen 1829 en 1887 boven de kelder stond. Het huidige monument werd, getuige een inscriptie op de achterzijde/oostzijde in 1887 "hernieuwd" naar ontwerp van C. Kram arch.t (inscriptie zuidzijde). Dit is hoogstwaarschijnlijk de bekende Utrechtse architect C. Kramm [16]. Kramm overleed in 1875, maar het is zeer aannemelijk dat zijn ontwerp postuum werd uitgevoerd. Wellicht verklaart dit ook de omissie van één "M" in de achternaam.
Bijzonder aan het monument is de neo-classicistische vormgeving en het familiewapen met wapenspreuk "Malo mori quam foedari" (Het is beter te sterven dan onteerd te worden) op de voorzijde, zoals we dat ook aantreffen op één van de rouwborden in de Andrieskerk. De gestileerde palmetten op de hoeken en de eikels en eikenbladeren in de kransen van de omringende poeren zijn symbolen voor eeuwig leven en kracht. Ook de centraal boven het wapen tussen sterren geplaatste vlinder als symbool van opstanding en eeuwig leven is een bekend funerair symbool.

Bijzonder is ook de grafkelder van de familie Van Aldenburg Bentinck, in 1925 ontworpen door de Amersfoortse architect J.H. Pothoven. Deze Pothoven was toentertijd de "huisarchitect" van de Bentincks en eveneens van de ex-keizer Wilhelm die op huis Doorn woonde en eerst tijdelijk in Amerongen was opgevangen. De grafkelder van de Bentincks werd door Pothoven ontworpen in de vorm van een klassieke (Romeinse) tempel met Ionische zuilen. In het fronton is het familiewapen zichtbaar. Er zijn foto's uit het huisarchief Amerongen waarop de tempel te zien is met vele kransen omgeven. Een datering ontbreekt maar getuige het formaat en de omranding van de foto's, de nog kleine bomen en de veelheid aan kransen is het zeer waarschijnlijk dat het hier de bijzetting in 1940 van de laatste kasteelheer en opdrachtgever voor de graftempel, Godard John George Carel, graaf Van Aldenburg Bentinck, betreft [17].

Zeer fraai qua vormgeving is het grafmonument van de familie Taets van Amerongen van Natewisch. Het grafmonument is vorm gegeven in Neogotische stijl. Achter de door een smeedijzeren hekwerk omgeven hardstenen dekplaat staat een drieluik met afsluitingen in de vorm van wimbergen. Het middenluik toont duidelijke verwantschap met een rouwbord, zoals dat in kerken werd gehangen. Er staat in reliëf (voorheen zwart geschilderd) een geharnaste ridderfiguur met het familiewapen op, waaronder een banderol met de wapenspreuk (slecht leesbaar). Boven de ridder een engel of vrouwenfiguur. In elk van de twee zijluiken fakkels. De linker is naar beneden gekeerd en de rechter naar boven. Zij symboliseren respectievelijk de dood en het leven. De eerste die in deze grafkelder werd bijgezet, is Pieter Hendrik II baron Taets van Amerongen. Hij overleed in 1866 [18]. Aan baron Pieter Hendrik II dankt Amerongen het voortbestaan van de woontoren van ridderhofstad Natewisch aan de Lekdijk 21. Sinds 1671, door het huwelijk van Gerard Godert Taets van Amerongen met Emerentia van Zuylen van {sidebar id=23 align=left}Natewisch was de familie Taets van Amerongen in bezit van Natewisch, waarvan de oudste geschreven bronnen reeds uit 1270 dateren. In de 18de eeuw bouwden zij bij de woontoren een buitenverblijf. In 1871 werd het buitenverblijf gesloopt, maar de woontoren bleef staan. Testamentair werd echter door G.L.M. baron Taets van Amerongen het volgende vastgelegd: zou zijn neef en erfgenaam, baron Pieter Hendrik II, de aan het testament verbonden condities niet aanvaarden, dan moest de woontoren worden gesloopt en het land worden omgedoopt tot "de uitgestorven staak". Pieter Hendrik aanvaardde de condities en de woontoren werd gespaard.

Graf Mary Annie TooropVerder is heel bijzonder het grafmonumentje van het eerste kindje van de beroemde kunstschilder Jan Toorop, die in 1887 korte tijd in Amerongen woonde. Er is een brief uit 1913 waarin Jan Toorop verzoekt om verlenging van de grafrechten voor dit kindergraf van Mary Annie Toorop. Helaas lijkt er van de top van de grafsteen een deel te zijn weggenomen, mogelijk een beeldje, kruisje of vaasje. Het is voor deze tijd, waarin de kindersterfte zo groot was, vrij bijzonder dat er zoveel aandacht aan een kindergrafje werd besteed. Zover bekend is er door Toorop geen portret van dit kindje gemaakt.

Een zwarte bladzijde uit de geschiedenis van de begraafplaats vormt de tijdelijke begraving, in drie graven "onvermogenden" op het gedeelte 1829 nabij het baarhuisje, van vier op het kasteel geëxecuteerde SS-soldaten. Op de plattegrond uit circa 1950 zijn de begraafvakken met een potloodkruis aangegeven en staat onderaan het volgende:

"duitse graven van SS ers
doodgeschoten op kasteel
(4 man) opgegraven en overgebracht naar Venray/IJsselsteijn op 9/10 '57
door 158e Gravendienst Cie
Oranjekazerne telef: 30541 T.131
Schaarsbergen / bij Arnhem /
Comm. Kap. J.W.H. Haverman
2e luit: H.W.F. Borgesius

4 rapporten hierover uitgebracht
op 26 en 27/11 '57
opgeborgen dossier: Nieuwe Begraafplaats / 1.776.11
Graven Duitsers overgebracht naar IJsselsteijn"

 

Het is bekend dat op andere plaatsen in den lande waar (tijdelijk) dergelijke begravingen plaats vonden, niemand op deze plek begraven wil worden. Op deze plek staan in Amerongen ook geen nummerpaaltjes meer.

 

Symboliek

Op het eerste gezicht ogen de grafmonumenten zeer sober en zijn ze vaak alleen voorzien van een naam. Wanneer we de grafmonumenten nauwkeurig bestuderen, komen we toch enige bekende funeraire symboliek tegen. Op een relatief groot aantal stenen uit met name de jaren dertig en veertig van de 20ste eeuw is een gestileerde palmtak te zien, met als betekenis dat eeuwig groen gelijk staat aan eeuwig leven. Het is ook een verwijzing naar Palmzondag, het begin van de Stille of Goede Week die het lijden, sterven en de opstandig van Christus herdenkt. Ook zijn er graven, vooral in het gedeelte 1873-1875, waarbij de paaltjes zijn bekapt als waren zij de stammen van palmbomen.
Een klassieke variant van de palmtak is het gestileerde palmetsymbool. Dit treffen we aan op de hoeken van het grafmonument Van Reede Ginkel. Op dit monument zien we ook een vlinder afgebeeld, een bekend symbool voor vergankelijkheid. De neoclassicistische vormgeving is kenmerkend voor de tijd en passend in de funeraire traditie om terug te grijpen op de oudheid.
Ook de fakkel is een symbool dat reeds uit de oudheid dateert, waarbij de omgekeerde fakkel de dood en de brandende fakkel (hernieuwd) leven symboliseert. Dit zien we bijvoorbeeld terug op de grafkelder van de familie Taets van Amerongen en bij de grafkelder Van der Grift. Het symbool van de ster is een verwijzing naar Christus, nieuw leven en de hemel. De ster zien we bij de kelder van de familie Van Klinkenberg. Daar zijn ook "klavertjes vier" te zien.
Op een enkel monument is een kruis geplaatst, waarbij vermoedelijk sprake is van een overledene van rooms-katholieke huize. In het grotendeels Nederlands Hervormde Amerongen treffen we dit slechts incidenteel aan.
Een bloem als symbool voor de ziel die zich naar God wendt, zoals een bloem naar het zonlicht, is ook op een van de grafmonumenten te vinden in het gedeelte 1873-1875.

 

Toekomst

In 2005 verscheen het PIOBB (Plan voor instandhouding en ontwikkeling van Beschermde begraafplaatsen) over de begraafplaats in de gemeente Amerongen. Het bleek een uitputtend rapport te zijn dat een goede weergave gaf van de geschiedenis en de huidige staat van de begraafplaats. Allerlei aanbevelingen over het groenonderhoud, baar- en lijkenhuisje en toekomstig gebruik werden gegeven en ook werd een voorzichtige schatting gegeven van de kosten die verbonden zou zijn aan het werk dat gedaan moest worden. Nu de gemeente opgegaan is in de grotere gemeente Utrechtse Heuvelrug, is het even stil geworden. Ondertussen heeft de Rijksdienst voor Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten het PIOBB goedgekeurd en kan de gemeente voorzichtig beginnen aan het uitvoeren van de opgestelde plannen. (2006)

 

Noten

  1. Welstand en Monumenten Midden Nederland is een gemeenschappelijke regeling van 24 gemeenten in de provincie Utrecht. In 1929 is de Provinciale Utrechtse Welstandscommissie opgericht met als hoofddoelstelling "de instandhouding van het bouwkundig schoon, het landschaps- en stedeschoon". In 1969 werd de vorm van de organisatie gewijzigd in een gemeenschappelijke regeling, de doelstelling bleef dezelfde. In 1993 werd de regeling gewijzigd en de naam veranderd in PUWC, adviescommissie voor Ruimtelijke Kwaliteit. In 2005 werd gekozen voor een nieuwe, meer toegankelijke naam: Welstand en Monumenten Midden Nederland. Het uitvoerende bureau is gevestigd in Bunnik.
  2. Het Utrechts Archief: Inventaris van de archieven van de hervormde gemeente te Amerongen 1578-1962, nummer 169 Rechten met betrekking tot benoeming predikanten NH kerk.
  3. E. en E. Kurpershoek, Amerongen, geschiedenis en architectuur, Zeist 1996, p. 150-151,157-161, 201-203.
  4. Het Utrechts Archief: Inventaris van de archieven van de hervormde gemeente te Amerongen 1578-1962, nummer 286
  5. Het Utrechts Archief: Inventaris van het archief van het huis Amerongen 1405-1979, map nummer 667
  6. P. Tuik, De kerk van het Heylig Kruis en Sint Andreas. Duizend jaar geschiedenis van de Andrieskerk in Amerongen, Amerongen 2005, bijlage 1 en 2
  7. Archief gemeente Amerongen 1811-1936, Nr. 685: Plattegrond van de openbare begraafplaats, met verklaring door landmeter G. de Ridder inzake de oppervlakte, 1829
  8. Een montantsteen is een stenen spijl voor grote kerkramen, waarin vaak glas in lood werd geplaatst.
  9. Archief gemeente Amerongen 1811-1936: Nr. 677 Overzicht van graven en eigenaren circa 1864
  10. Archief gemeente Amerongen 1811-1936: Nr. 689 Akten van uitgifte in erfpacht door G.G. graaf Van Reede en Athlone en G.J.G.C. graaf van Aldenburg Bentinck,van grond ten behoeve van de Algemene Begraafplaats, 1837 en 1925
  11. Archief gemeente Amerongen 1811-1936: Nr. 689 Akten van uitgifte in erfpacht door G.G. graaf Van Reede en Athlone en G.J.G.C. graaf van Aldenburg Bentinck,van grond ten behoeve van de Algemene Begraafplaats, 1837 en 1925, met afschriften
  12. Archief gemeente Amerongen 1811-1936: Nr 686 Plattegrond van de oude begraafplaats z.j. c. 1950? 1 stuk N.B. schaal 1:20.
  13. Archief gemeente Amerongen 1811-1936 Nr. 690 Stukken betreffende aanleg van een nieuw ijzeren hek rond de algemene begraafplaats, 1874-1875
  14. Archief gemeente Amerongen 1811-1936 Nr. 682-684 Registers van begravingen op de Algemene Begraafplaats 1864
  15. Archief gemeente Amerongen 1811-1936: Nr. 689 Akten van uitgifte in erfpacht door G.G. graaf Van Reede en Athlone en G.J.G.C. graaf van Aldenburg Bentinck,van grond ten behoeve van de Algemene Begraafplaats, 1837 en 1925 - c. 1978
  16. drs. T. Boersma, Christiaan Kramm en zijn betekenis voor het bouwkunst-onderwijs en het "gotische Architectuur-teekenen" aan de Utrechtse Stadsschoolen voor Teeken- en Bouwkunde" 1822-1866", De Sluitsteen jaargang 5, nummer 3 1989, p. 83-114
  17. Het Utrechts Archief: Inventaris van het archief van het huis Amerongen 1405-1979, map nummer 5030 8 foto's grafmonument met kransen
  18. Archief gemeente Amerongen 1811-1936 Nr 683

 

Bronnen

  • Archieven - De belangrijkste geraadpleegde archieven zijn de stukken betreffende de oude begraafplaats uit het gemeentearchief Amerongen en Het Utrechts Archief (voormalig Rijksarchief Utrecht), in het bijzonder de archieven van de Nederlandse Hervormde Gemeente Amerongen, het Huis Amerongen en de topografische atlas. Specificatie van de diverse stukken is te vinden in de tekst en bij de onderschriften van de afbeeldingen.
  • "Oude begraafplaats gemeente Amerongen; VTA-controle 7-tal beuken" door Pius Floris boomverzorging Veenendaal d.d. 2 juni 2005
  • Monumentenwacht Utrecht, technische rapportage van de grafmonumenten en inspectierapport 2005 nummer 2523 van het baar- en lijkenhuisje, Utrecht 2005

Tevens zijn gebruikt gemeentelijke stukken zoals verordeningen en het bestemmingsplan en voorts:

  • Pouderoyen Compagnons, Beeldkwaliteitplan oude kern, Amerongen 2004
  • Brons Partners, Groene Entree Amerongen "Torenhoog en mijlenbreed" Analyse, Beeldkwaliteit en programma van eisen, februari 2005
  • Provincie Utrecht, conceptvisie voor de Stichtse Lustwarande, april 2005

 

Literatuur

  • Attema, Y. en Bok, L., Begraafplaatsen als Cultuurbezit, met inventarisatiehandleiding, 's-Gravenhage 2003 [Uitgave Sdu].
  • Blijdenstijn, R., Tastbare Tijd, cultuurhistorische atlas van de provincie Utrecht, 2005
  • Cappers, W. Doodse Dingen, Funeraire cultuur in landschappelijk verband, Reeks Funeraire Cultuur Vereniging de Terebinth, Soesterberg 2002
  • Kok, H.L., A. Wille en G. Boerhof, Begraven & Begraafplaatsen. Monumenten van ons bestaan. Utrecht, 1994 [Uitgave Stichting Teleac]
  • A. Koster, 1993. Ecologisch groenbeheer in de praktijk, IPC Groene Ruimte
  • Kok, H.L., Funerair Lexicon A-Z. Encyclopedisch woordenboek over de dood. Maastricht 2001 [uitgave Stichting Crematorium Limburg]
  • E. en E. Kurpershoek, Amerongen, geschiedenis en architectuur, Zeist 1996
  • Putten, W.G.H.M. van der, Thematisch Handboek Lijkbezorging [Uitgave Koninklijke Vermande BV, Lelystad] [bijgewerkt tot mei 2001]
  • Raak, C. van, Dodenakkers. Kerkhoven, begraafplaatsen, grafkelders en grafmonumenten in Nederland. Amsterdam/Antwerpen 1995.
  • H. Tromp en B. Zijlstra, Kasteel Amerongen, deel 14 van de serie "Nederlandse kastelen" van de Nederlandse Kastelen Stichting, Zutphen 1998
  • P. Tuik, De kerk van het Heylig Kruis en Sint Andreas. Duizend jaar geschiedenis van de Andrieskerk in Amerongen, Amerongen 2005
  • Wirth, V. en R. Düll, Mossen en Korstmossen. Baarn, 1999.
  • Woude, J. van der, Akkers van ons verleden. Bestuurlijk en daadwerkelijk zorg voor begraafplaatsen, 's-Gravenhage 1993

 

 

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section

Contact

E: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.