Muiderberg - Het graf van een Poolse zeeman?

Geschreven door Jan Wieten op . Gepost in Verhalen achter grafmonumenten

 

Inleiding

De opvallende zerk aan de noordzijde van de kerk.Aan de noordkant van de Kerk aan Zee in Muiderberg ligt al honderden jaren een mysterieus graf. Een aangespoelde Poolse zeeman zou er begraven zijn, zo gaat het verhaal. Maar er doen over dat graf zoveel verhalen de ronde… Kl. Sierksma noemt er verschillende in zijn boekje ‘Muiderberg. Voorpost van het Gooi’ (Muiderberg 1976, p. 48). Een rederszoon zou er zijn aangespoeld na zich te hebben verdronken, omdat zijn ouders hem hadden verboden te trouwen met het meisje van zijn dromen. En dan is er het verhaal van de rijke zeeman die juist verdronk toen hij zijn geliefde wilde redden. De bekendste en meest hardnekkige legende is ongetwijfeld die van de Poolse zeeman. Hij zou een zak met geld bij zich hebben gehad en een testament waarin stond dat hij begraven wilde worden op de plaats waar hij ooit zou aanspoelen. Laat dat nou net bij de Kerk aan Zee in Muiderberg zijn geweest! Bovendien bepaalde zijn testament dat er later ook andere schipbreukelingen in zijn graf begraven mochten worden.

Het kistbeslag dat in 1976 werd aangetroffen.In 1976 is de grafkelder door de Rijksdienst voor Oudheidkundig Bodemonderzoek onderzocht en door de heren P. de Raadt en C. Grijzenhout gerestaureerd. Toen zijn er wel hengsels en pinnen behorend tot een intussen vergane doodkist aangetroffen, maar niets dat wees op de identiteit van de overledene en al helemaal geen aanwijzingen dat er meer dan één dode zou zijn begraven (zie ook: P. de Raadt, De Kerk in Muiderberg, Amsterdam 1982).

De oplossing van het mysterie wist Klaes Sierksma trouwens ook niet te bieden. Wel stelde hij vast dat het wapen dat in de zerk op het graf is gebeiteld waarschijnlijk niet van Poolse oorsprong is. Het zou overeenkomen met dat van een Duitse familie uit Frankfurt aan de Main. Maar ook die wetenschap bracht hem niet verder.

Sierksma ging er gemakshalve vanuit dat de kerkelijke archieven evenmin uitsluitsel zouden kunnen geven. De oplossing van het raadsel, zo meende hij, zou alleen door een toeval ontdekt kunnen worden. Maar daarin had hij ongelijk. In de ‘kerkelijke archieven’ zijn wel degelijk antwoorden te vinden, zij het niet op alle vragen.

 

Een Lutherse Amsterdammer koopt een graf bij de Kerk aan Zee in Muiderberg

Kerkmeesters (in de Hervormde kerk later Kerkvoogden en Notabelen geheten) waren belast met de behartiging van de stoffelijke belangen van de kerkelijke gemeente. Zij maakten geen deel uit van de kerkenraad. De kerkmeesters van de Kerk aan Zee hielden in de tijd van de Republiek keurig de inkomsten en uitgaven van de kerkelijke gemeente bij. Veel geld ging er in Muiderberg trouwens niet om. Wat er binnenkwam bestond vooral uit opbrengsten van collecten, plaatsengeld en begrafenissen; veel van de uitgaven bestonden uit betalingen aan timmerlieden, metselaars en loodgieters voor al of niet ingrijpende herstelwerkzaamheden aan de kerk. Een Brief Gruneliusbelangrijke kostenpost vormde ook de vergoeding voor de man die de functies van voorzanger, koster, doodgraver en onderwijzer in zich verenigde. De predikant werd in die tijd (grotendeels) door de overheid betaald. Over de rekening van de diakonie, de armenzorg, gingen kerkmeesters ook niet, deze was een zaak van de kerkenraad.

Het eerste regelmatig bijgehouden overzicht van inkomsten en uitgaven in het archief van de Kerk aan Zee (De rekeninge der kercke tot Muyderbergh) dateert van 1707. In dat jaar begonnen de kerkmeesters van toen, Daniël Nijs en dominee Petrus de Bije (of De Bie), met het afleggen van verantwoording over de financiën. Aan het einde van het boek met jaarrekeningen bevinden zich, min of meer verscholen, enige contracten met derden die in de loop van de jaren waren afgesloten. Twee van die afspraken van de kerkmeesters hebben betrekking op een graf aan de noordkant van de kerk.

Wapen van de familie Grunelius uit Frankfurt (naar Wolfgang Klötzer, Der Gerechte wird grünen wie ein Palmbaum. Die Franfurter Familie Grünelius,Frankfurt am Main 2007).In de zomer van 1780 wendde zich een Amsterdamse fabrikant tot de kerkmeesters van de Kerk aan Zee om een graf te kopen. Kerkmeesters waren in die tijd Jan Rijser en Jan Bolten. Jan Rijser was toen de predikant van Muiderberg. Hij was 32 jaar eerder zijn zwager Roeland van Thiel opgevolgd. Later in datzelfde jaar 1780 zou Jan Rijser met emeritaat gaan. Jan Bolten was landmeter en schepen van Muiderberg, eigenaar van het huis Wisseloord en tevens (zout-)keetmeester in Muiden.

We laten de tekst van de overeenkomst die toen tussen hen werd gesloten hieronder volgen:

Wij onder geschreve Kerkmeesteren te Muyderberg, bekennen ontfangen te hebben van den Heer Joan Antoni Grunelius, de somma van twintig goude dukaaten, of hondert & vijf guldens, waarvoor wij transporteeren en cedeeren aan den voorn. Heer J.A. Grunelius of zijne Erfgenaamen, of recht verkrijgende, Een gedeelte Gronds, groot 5 voet , 5 duim breed, 9 voet 9 duim lang, gelegen aan de Noord zijde op het Muyderbergsche Kerkhof, drie voete van de muur der voorgesch. Kerke, geevende wijders aan den gem. Heer J.A. Grunelius zijn Erfgenaamen, of recht verkrijgende, het recht omme in die grond te laaten graaven en maaken, Een Eigen gematzelde begraaf plaatze ter diepte van vier Lijken, mits dat van ieder Lijk, dat in deese begraaf plaatze zal gelegd worden betaald zal moeten worden de gewoone Kerk rechten als of het zelve in de Muyderbergsche Kerk wierd begraaven, Gedaan te Muyderberg den 5 Aug. 1780.’ Was getekend Jan Rijser en Jan Bolten

 

Wie was deze Joan Antoni Grunelius?

De koper van het graf was in elk geval geen zeeman en ook geen Pool. Joan Antoni Grunelius (1705-1782) was een telg uit een Luthers geslacht van predikanten, bankiers en handelaren uit de omgeving van Frankfurt. Hij woonde met zijn vrouw Maria Kolder (of Colder) en zijn zeven kinderen aan de Binnen Amstel bij de Nieuwe Kerkstraat en de Magere Brug in Amsterdam. Tegenover zijn huis aan de andere kant van de Amstel lag een in die tijd bekende herberg de Plaats Royaal. Grunelius verdiende zijn brood met de fabricage en de handel in loodwit. Loodwit is een pigment dat met lijnolie vermengd een witte olieverf oplevert zoals door onze beroemde kunstschilders uit de zeventiende eeuw werd gebruikt. Volgens Bernice Crijns van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (de Volkskrant 8 april 2011) was dit ‘het beste verfpigment ooit uitgevonden’.

Loodwit werd verkregen door dunne loden platen op te hangen in aardewerken potten met azijnzuur op de bodem. De potten werden ingebed in paardenmest waardoor de inhoud ervan door broei op de vereiste hoge temperatuur voor oxidatie van het lood kon worden gehouden. Na verloop van tijd werden de loden platen eruit gehaald en het witte loodstof eraf geklopt en vermalen. Vooral dit proces was uitermate schadelijk voor de gezondheid van arbeiders in de loodwitfabricage. In de loop van de negentiende eeuw raakte loodwit als verfpigment langzaamaan op de achtergrond. In Nederland werd het gebruik ervan in 1939 verboden, behalve voor restauratiewerkzaamheden. Niettemin heeft de Arbodienst onlangs ook aan dit beperkte gebruik een einde gemaakt door de restauratiewerkzaamheden aan het Koninklijk paviljoen op station Hollands Spoor in Den Haag te laten stilleggen, omdat er loodwit bij werd gebruikt.

Grunelius bezat in de achttiende eeuw twee loodwitmolens aan de Weespervaart tegenover de Diemermeer in wat toen nog grotendeels onbebouwd polderland was. De broeimest werd geleverd door het Aalmoezeniersweeshuis dat in Amsterdam het monopolie op het ophalen van huis- en straatvuil had. Na de dood van Grunelius werd het bedrijf nog enige tijd voortgezet door vier hem overlevende dochters en een schoonzoon.

Waarom hij in 1780 een graf in Muiderberg bij de gereformeerde of hervormde Kerk aan Zee wilde kopen is niet duidelijk. Zijn vrouw Maria Kolder (1710-1779) was een jaar eerder gestorven en begraven in de Oude Lutherse Kerk aan het Spui in Amsterdam. Grunelius had in die kerk een eigen grafkelder (no. 72). Begraven op die plek lag natuurlijk het meest voor de hand, de familie was immers Luthers. De Lutherse of Familiebegraafplaats in Muiderberg was er in 1780 nog niet. Volgens de begrafenisregisters van de Amsterdamse Evangelisch-Lutherse Gemeente zijn in het graf in de Oude Lutherse Kerk na de dood van Grunelius wel twee jonggestorven kleinkinderen begraven (in 1788) en in 1815 en 1828 nog twee van zijn dochters. Hij had daar dus ook zelf kunnen worden bijgezet. Maar dat gebeurde niet. In 1782 is hij begraven in Muiderberg, in het graf dat hij twee jaar eerder had gekocht. Daarover bestaat geen twijfel. [1]

De begrafenisregisters in het Stadsarchief van Amsterdam vermelden bij 13 juni 1782:

Een Uijtvaart Lijk: Joan Anthonie Grunelius, De Binnen Amstel, over de Plaats Rojaal, naa Muijderberg

In het boek dat werd bijgehouden door de Muiderbergse kerkmeesters staat bij 17 juni 1782 aangetekend:

voor ’t begraven van J:A:Grunelius In sijn Eijge Kelder op ’t Kerkhof 3,--,--

Ook in de akte ter verdeling van de erfenis, die de kinderen van Grunelius door notaris Isaac Pool te Amsterdam lieten opmaken op 30 september 1782, staat met zoveel woorden dat hun vader in Muiderberg is begraven.

 

Nadere bepalingen in een brief van Grunelius

Bijna twee maanden na de aankoop van het graf schreef Grunelius een brief die in zijn geheel in het boek van de kerkmeesters is opgenomen. Een brief met bepalingen ten aanzien van het graf, waarmee kerkmeesters dus blijkbaar instemden. Grunelius schreef het volgende:

Kopie van de brief die Grunelius schreef op 30 september 1780.‘De Wel Edele Heeren Kerkmeesteren van de Kerk te Muyderb. worden, Instantelyk en vriendelyk verzocht het Graaf op het Muyderbergsche Kerkhof, door my gekocht en voldaan, hetgeen ik heb doem metzelen, & provisioneel met een steene zerk tot na myn overlyden, met het daarop in steen gehouwen Wapen en wel met Wapen naar onder, en de ruuwe zyde naar boven doen dekken, altoos op die wyze gedekt te houden, en nooit het Wapen naar boven te keeren, ten zy, dat een van myne eigen of aangehuwde Kinderen verkoos, de eene nog ledige plaats met deszelfs Lyk te vervullen, die dan ook de magt zou hebben, om te disponeeren dat de Zerk met het Wapen boven gekeerd wierd, mits dat denzelve Kerkmeesteren in der tijd vooraf gequalifieerd had, om den spot verwekkenden helm te vernielen, En in gevalle binnen de Dertig jaaren na myn overlyden, geene de voornoemde Kinderen, de nog ledige plaats in myn gemelde Graf besproken had om daarin te willen leggen, zo geef ik aan de Heeren Kerkmeesteren in der tyd, de faculteit, om die ledige plaats te presenteeren, aan zoo daanig persoon, die (Nota bene) by zyn leven de meeste en grootste blyken gegeeven had van eene welberedeneerde menschlievendheid.

In Amsterdam den 30 September 1780.’ Was getekend Joan Antony Grunelius.

Misschien wel de merkwaardigste bepaling uit deze brief vormt de eis dat de steen op het graf altijd met Wapen naar onder, en de ruuwe zyde naar boven moest liggen. Tenzij zijn kinderen (vier dochters overleefden hem) er begraven wilden worden en anders besloten. In dat geval zouden kerkmeesters echter eerst den spot verwekkenden helm moeten vernielen! Wat er voor zijn tijdgenoten zo spotverwekkend was aan het wapen van de familie Grunelius, daar kunnen we alleen maar naar gissen. Misschien was het die zwarte hand met de palmtak die uit de helm naar boven stak.

Het familiewapen op de zerk zoals het vandaag de dag te zien is.Feit is dat de zerk op het graf tegenwoordig met het wapen naar boven ligt. Feit is ook dat de palmtak in het wapen tekenen van beschadiging vertoont. Maar of dat door kerkmeesters is gebeurd teneinde aan de eis van Grunelius te voldoen of door vandalisme, zoals door Grunelius werd voorzien en gevreesd, is niet duidelijk. Overigens zijn alle dochters van Grunelius elders begraven.

Op de zerk staat onder het familiewapen een spreuk gebeiteld: MENSCHLIEVENDHEID WACHT NIET NAAR DWANG NOCH WORD WEERHOUDEN DOOR BELANG. Die spreuk sluit aan bij een andere bepaling uit de brief. Dertig jaar na zijn dood mochten kerkmeesters in zijn grafkelder een ander laten begraven en wel een “zo daanig persoon, die (Nota bene) bij zijn leven de meeste en grootste blijken gegeven had van eene welberedeneerde menschlievendheid”.

Het graf aan de noordzijde van de Kerk aan Zee is dus niet het graf van een Poolse zeeman. De enige die er begraven is, is Joan Antoni Grunelius zelf. Grunelius participeerde weliswaar financieel in de in 1767 opgerichte Maatschappij tot Redding van Drenkelingen (met een lijfrente ten gunste van een familielid), maar dat is voor zover bekend de enige relatie die hij met verdronken zeelieden had. (2013)

Dit artikel is in 2013 gepubliceerd in het tijdschrift Villa Amuda.

 

Noot

  1. Kl. Sierksma heeft geen relatie kunnen vaststellen tussen Grunelius en Muiderberg, al heeft hij daar wel naar gezocht. Hij gaat er ten onrechte van uit dat het graf bij de Kerk aan Zee heeft toebehoord aan de familie Holtzman en nooit is gebruikt. Zo bijvoorbeeld in de instructie die hij samenstelde voor rondleidingen op de voormalige Lutherse Begraafplaats aan de Badlaan in Muiderberg (in manuscript aanwezig in archief Sierksma in het Stads- en Streekarchief in Naarden). De familie Holtzman schafte zich een grafkelder aan op de in 1792 in gebruik genomen Lutherse Begraafplaats (tegenwoordig Familie- of Algemene Begraafplaats) en zou om die reden geen gebruik hebben gemaakt van het graf bij de kerk. Het familiewapen van Holtzman vertoont enige gelijkenis met het wapen op het graf, zij het dat uit de helm bij Holtzman een bebaarde naakte man oprijst met in de ene hand een palmtak en de andere hand in zijn zij, in plaats van de uit de helm stekende onderarm met palmtak van de familie Grunelius op het graf bij de kerk.

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section

Contact

E: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.