Zeist - De particuliere begraafplaats van de familie Nepveu op Dijnselburg

Geschreven door R.P.M. Rhoen op . Gepost in Vergeten en verdwenen graven en begraafplaatsen

 

Inleiding

nepveuDe meeste doden werden in vroegere tijden bijna altijd in of om een kerk begraven of op een begraafplaats buiten de kom. Er zijn particulieren geweest die een eigen begraafplaats op een voor hen dierbare plaats hebben gesticht. Het bekendste familiegraf in Nederland is de grafkelder van de Oranjes in de Nieuwe Kerk in Delft. Dichter in de buurt op de Utrechtse Heuvelrug staat in het park bij kasteel Doorn een in 1942 gebouwd mausoleum, waarin de Duitse ex-keizer Wilhelm II ligt, en in Leersum staat de in 1818 gebouwde graftombe van de familie Nellesteyn. Ook in Zeist lag op een van de buitenplaatsen een familiegraf. Het was het graf van de familie Nepveu-Roosmale. Zij die hier begraven lagen, waren nooit zo belangrijk als de Duitse keizer en het familiegraf was ook niet zo monumentaal als dat in Leersum. Over het graf in Zeist hing wel een waas van geheimzinnigheid. Zeker sinds de familie Nepveu van Dijnselburg was vertrokken en er niet meer begraven werd. Over de grafkelder deden allerlei verhalen de ronde. Zo werd er verteld dat het er spookte. Bijna 75 jaar geleden werd het 'Graf van Nepveu' geruimd in verband met een wegverbreding. De sluier van de geheimzinnigheid werd opgeheven en haast niemand die nu nog iets van de grafkelder afweet.

 

Dijnselburg

'Kraals nieuwe groote gids van Zeist' (1907) - een boek dat een uitvoerige toeristische beschrijving van de gemeente Zeist geeft - zegt over de buitenplaats Dijnselburg het volgende: 'Dijnselburg was in 1845 een boerenhofstede. De heer Mr. J.D. Nepveu als letterkundige toen welbekend, koos 't tot zijn lustplaats en liet er dit buitenverblijf bouwen. De groote plaats strekt zich langs den Amersfoortscheweg uit tot waar de Nassaulaan er tegenover door 't park en Bosch en Duin voert.' Over het familiegraf aan de Panweg wordt niets verteld.


De geschiedenis van Dijnselburg gaat ver terug. Dat Dijnselburg van een hofstede uitgroeide tot een buitenplaats is de verdienste van de familie Nepveu. De familie Nepveu is afkomstig uit Frankrijk. Een van de voorvaderen, Aubin Nepveu (omstreeks 1650-1704), werd in 1686 burger van Amsterdam. Zijn achterkleinzoon Mr. Laurens Johannes (komt ook voor als: Laurens Jan) Nepveu (1751-1823), lid van de vroedschap van Utrecht en lid van de provinciale staten van Utrecht, kocht Dijnselburg in 1792. Drie generaties lang zou Dijnselburg in handen blijven van de familie Nepveu. In 1807 werd zijn zoon Mr. Laurent Théodore (komt ook voor als: Laurens Theodorus) Nepveu (1782-1839), rentenier, lid van de raad en wethouder van Utrecht en lid van de provinciale staten van Utrecht, de nieuwe eigenaar. Hij werd op zijn beurt als eigenaar opgevolgd door zijn zoon Mr. Jean Ignatius Daniel (komt ook voor als: Jan Ignatius Daniel) Nepveu (1810-1887), griffier van het provinciaal gerechtshof en letterkundige. Die liet in 1854 de hofstede op Dijnselburg verbouwen tot een herenhuis, dat in 1883 vervangen werd door het huidige herenhuis. Toen was het echter geen eigendom meer van Nepveu. In 1871 had hij de buitenplaats verkocht.
De buitenplaats Dijnselburg is gelegen aan de Amersfoortseweg. Aan de westzijde wordt de buitenplaats begrensd door de Panweg en aan de oostzijde door de huidige Albert Plesmanring.

 

Aanleg van de particuliere begraafplaats

De begraafplaats op Dijnselburg werd in 1812 gesticht door Mr. Laurent Théodore Nepveu, die sinds 1807 eigenaar van de buitenplaats was. Waarschijnlijk was de aanleiding de vroege dood van een dochtertje in 1811. In verband met de invoering van een nieuwe wettelijke regeling ten aanzien van begraafplaatsen, verzocht hij in een rekest van 29 mei 1829 Gedeputeerde Staten hem toe te staan om zijn begraafplaats 'zijnde eene ruime geheel onderaardsche kelder' als zodanig te mogen blijven gebruiken. G.S. verleenden hem op 17 juni 1829 de gevraagde vergunning om de particuliere begraafplaats 'aan het Huys ter Heide' - hijzelf sprak in zijn rekest over 'de Dijnsel' - voor hem en zijn familieleden te behouden. Zijn kleinzoon Paulus Theodorus Nepveu (1861-1944) meende in 1927 dat diens vader, Laurens Johannes Nepveu, de stichter van de begraafplaats zou zijn geweest. Misschien dacht hij dat omdat die Dijnselburg immers gekocht had en pas in 1823 overleed. In de vergunning van G.S. werden als voorwaarden gesteld dat de begraafplaats onder het toezicht van het gemeentebestuur viel, 'onder de surveillance', en dat op de door de wet voorgeschreven afstand geen woningen gebouwd mochten worden. Van allen die in het familiegraf werden bijgezet - en dat is opvallend - is slechts een in Zeist overleden. De stichter van de begraafplaats werd er zelf ook niet bijgezet.

 

De grafkelder

De grafkelder lag in de zuidwesthoek van de buitenplaats Dijnselburg, tegen de Panweg aan, op circa vijfhonderd meter afstand van de Amersfoortseweg; ongeveer in het huidige tracé van de A28. Het terrein had een grootte van ± 1500 m². De erfgenamen van de stichter van de grafkelder waren na de verkoop van Dijnselburg eigenaar van de begraafplaats gebleven. In de veilingakte uit 1871 is hierover bepaald: 'Tenslotte wordt opgemerkt dat de begraafplaats van de familie Nepveu met de beide toegangen uitkomende op de weg kadastraal bekend sectie B nummer 35bis niet tot het verkochte behoort.' Een bepaling die in ieder geval bij de volgende verkoop in 1877 weer in de notariële akte werd opgenomen. Bij de inschrijving in de registers van het kadaster werd met die bepaling geen rekening gehouden en werd het hele perceel op naam van de nieuwe eigenaar gesteld. Om de begraafplaats stond een draadafscheiding. Vanaf de Panweg lag de begraafplaats verscholen achter bomen en struikgewas. 'Eenzaam en verlaten ligt dit graf hier. Slechts zelden ging iemand het smalle zijpaadje op, en menigeen, die er over had hooren spreken en dit plekje niet kende, ging er naar zoeken om het in veel gevallen niet te vinden.', schreef een journalist in 1928.
De plaats van de grafkelder werd gemarkeerd door een grote grafzerk van 157 x 268 x 10 cm (b x l x d). Op de zerk stond alleen eenvoudig de naam 'Nepveu' gebeiteld. Rondom die hardstenen zerk was een rollaag gemetseld. De kelder bestond uit twee gedeelten, die een geheel vormden. Een gedeelte werd van boven afgesloten met de hiervoor genoemde zerk en het andere gedeelte was overkluisd. De grafkelder had als ingang een staande, ijzeren deur, die voorzien was van twee sloten. Omdat de toegang onder het maaiveld lag, moet de deur via een stenen trap te bereiken zijn geweest of via een al of niet geplaveid pad. Na een bijzetting in 1880 was de grafkelder vol. De deur werd na die laatste bijzetting gedeeltelijk dichtgemetseld en de toegang naar de deur met zand dicht gegooid.
Bij de aanleg van het landschapspark op Dijnselburg is duidelijk rekening gehouden met de grafkelder. Een pad voerde van het huis naar de begraafplaats en splitste zich bij de begraafplaats om zo op de Panweg uit te komen.

 

De in de grafkelder bijgezette leden van de familie Nepveu-Roosmale

In de grafkelder werden de stoffelijke overschotten van de volgende familieleden bijgezet:

  1. Maria Johanna Nepveu, geboren Utrecht 5 mei 1811, overleden Utrecht 5 juni 1811, dochter van Mr. Laurent Théodore Nepveu en van Albertina Helena Elisabeth Ram, dochter van de stichter.
  2. Marinus Cornelis Johannes Nepveu, geboren Utrecht 18 november 1812, overleden Utrecht 2 maart 1813, zoon van Mr. Laurent Théodore Nepveu en van Albertina Helena Elisabeth Ram, zoon van de stichter.
  3. Mr. Laurens Johannes Nepveu, geboren Paramaribo 13 mei 1751, overleden Utrecht 25 januari 1823, trouwde Utrecht 15 mei 1780 Margaretha Roosmale, geboren Utrecht 17 februari 1751, overleden Zeist 17 oktober 1829, vader van de stichter.
  4. Margaretha Roosmale, geboren Utrecht 17 februari 1751, overleden Zeist 17 oktober 1829, trouwde Utrecht 15 mei 1780 Mr. Laurens Johannes Nepveu, geboren Paramaribo 13 mei 1751, overleden Utrecht 25 januari 1823, moeder van de stichter.
  5. Doodgeboren kindje van Mr. Laurent Théodore Nepveu en van Albertina Helena Elisabeth Ram, kind van de stichter.
  6. Willem Johan Albert Roosmale Nepveu, geboren Zeist 9 september 1826, overleden Utrecht 16 april 1830, zoon van Louis Antoine Roosmale Nepveu en van Elisabeth Jacqueline barones Taets van Amerongen, neef van de stichter.
  7. Elisabeth Jacqueline barones Taets van Amerongen van Woudenberg, geboren Utrecht 20 december 1795, overleden Utrecht 17 mei 1835, trouwde Zeist 4 juni 1823 Louis Antoine Roosmale Nepveu, geboren Utrecht 25 februari 1789, overleden De Bilt 2 mei 1867, schoonzus van de stichter.
  8. Laurentie Johanna Margaretha (komt ook voor als: Laurence Jeannette Marguérite) van Gheel Roëll, geboren Amsterdam 11 november 1811, overleden Utrecht 14 november 1840, dochter van jhr. Jan Carel Andries van Gheel Roëll en van Margaretha Nepveu, trouwde Utrecht op 22 februari 1839 Willem Charles (komt ook voor als: Guillaume Charles) baron Snouckaert van Schauburg, nicht van de stichter.
  9. Jacob Daniel Cornelis Nepveu, geboren Utrecht 18 juli 1841, overleden Utrecht 2 september 1842, zoon van Mr. Jean Ignatius Daniel Nepveu en van Anna Jacoba des Tombe, kleinzoon van de stichter.
  10. Cornelia Anna Jacoba Nepveu, geboren Utrecht 9 november 1842, overleden Utrecht 26 juli 1843, dochter van Mr. Jean Ignatius Daniel Nepveu en van Anna Jacoba des Tombe, kleindochter van de stichter.
  11. Cécile Adelaide de Massac, geboren Amsterdam 28 mei 1793, overleden Jutphaas 30 december 1851, trouwde Amsterdam 1 juni 1837 Louis Antoine Roosmale Nepveu, geboren Utrecht 25 februari 1789, overleden De Bilt 2 mei 1867, schoonzus van de stichter.
  12. Anna Jacoba des Tombe, geboren 's-Gravenhage 9 augustus 1815, overleden Utrecht 30 maart 1856, trouwde Utrecht 12 juli 1839 Mr. Jean Ignatius Daniel Nepveu, geboren Utrecht 3 februari 1810, overleden Utrecht 16 maart 1887, schoondochter van de stichter.
  13. Doodgeboren tweeling uit het huwelijk van Mr. Jean Ignatius Daniel Nepveu en van Wilhelmina Constantia Smissaert, kleinkinderen van de stichter.
  14. Alsvoren.
  15. Johanna Nepveu, geboren Utrecht 27 november 1863, overleden Utrecht 23 december 1863, dochter van Mr. Jean Ignatius Daniel Nepveu en van Wilhelmina Constantia Smissaert, kleindochter van de stichter.
  16. Albertina Helena Elisabeth Ram, geboren Rotterdam 13 juli 1788, overleden Utrecht 19 januari 1864, trouwde Utrecht 13 mei 1806 Mr. Laurent Théodore Nepveu, geboren Utrecht 7 april 1782, overleden Parijs 14 november 1839, echtgenote van de stichter.
  17. Jean Aubin Nepveu, geboren De Bilt 29 juli 1785, overleden De Bilt 24 juli 1865, ongehuwd, broer van de stichter.
  18. Louis Antoine Roosmale Nepveu, geboren Utrecht 25 februari 1789, overleden De Bilt 2 mei 1867, trouwde 1e Zeist 4 juni 1823 Elisabeth Jacqueline barones Taets van Amerongen, geboren Utrecht 20 december 1795, overleden Utrecht 17 mei 1835, trouwde 2e Amsterdam 1 juni 1837 Cecile Adelaide Massac, geboren Amsterdam 28 mei 1793, overleden Jutphaas 30 december 1851, broer van de stichter.
  19. Margaretha Nepveu, geboren Utrecht 17 mei 1787, overleden Utrecht 1 mei 1880, trouwde Maarssen 2 april 1811 jhr. Jan Carel Andries van Gheel Roëll, geboren Amsterdam 22 april 1779, overleden Utrecht 27 december 1847, zuster van de stichter.

 

Verbreding van de Panweg

De begraafplaats lag aan de Panweg. De ontwikkeling van die weg van een onbeduidende steeg tot een belangrijke verbindingsweg, is van groot belang geweest voor de geschiedenis van de grafkelder. Op 2 oktober 1857 werd er een overeenkomst gesloten tussen de gemeente Zeist en Mr. Jean Ignatius Daniel Nepveu en Jan Jacob Kluppel, eigenaren van respectievelijk de buitenplaatsen Dijnselburg en Vollenhove, waarbij zij toestemming kregen de steeg die tussen de bossen van het landgoed Vollenhove en de buitenplaats Dijnselburg liep en 'sedert onheugelijke jaren in verwaarloosde en onbeheerde staat verkeert', te vervangen door een weg van tenminste tien meter breedte met aan weerskanten een greppel. De breedte van het te berijden gedeelte van de nieuwe weg werd hierbij bepaald op vier en een halve meter. Bij de aanleg van de Amersfoortseweg in 1653 waren de aanliggende percelen in vakken verdeeld, die van elkaar werden gescheiden door een steeg. Het gebied waar de in 1857 nog naamloze steeg lag, was 'woest en heuvelachtig'. Later kreeg deze weg de naam van Panweg. De Panweg werd ook wel 'Laantje van half acht' genoemd, naar een huis aan het begin van de weg bij de Amersfoortseweg. Een andere naam was Dodeweg. Die betekenis moge in verband met de aanwezigheid van de grafkelder duidelijk zijn. In zuidwestelijke richting liep ongeveer parallel aan deze weg een bosweg die tegenover de uitspanning annex boerderij De Pan uitkwam en ook bekend stond als Panweg. De beschrijving van de Panweg in 'Kraals nieuwe groote gids van Zeist' uit 1907 heeft betrekking op deze laatst genoemde Panweg en niet op de huidige.
In 1919 wilde het gemeentebestuur de Panweg, die een zandweg was en in een slechte staat verkeerde, vanaf de Oude Woudenbergse Zandweg tot aan de Amersfoortseweg verbreden. Het plan ging toen niet door. In 1925 werd toch alweer nagedacht over de verbreding van de weg. Tevens zou de zandweg worden bestraat. De breedte van het te verharden weggedeelte bedroeg vijf meter. Gedacht werd ook aan de aanleg van voet- en rijwielpaden. De weg zou op een breedte van dertig meter worden gebracht. De Panweg moest de verbindingsweg gaan vormen tussen Zeist en het buurtschap Bosch en Duin. De eigenaar van Dijnselburg, Mr.Dr. Herman Theodoor s'Jacob (1869-1950), van 1924 tot 1934 commissaris van de koningin in de provincie Utrecht, verklaarde zich in 1927 bereid de benodigde grond voor de verbreding van de weg om niet aan de gemeente Zeist af te staan. Voorts was hij bereid om bij eventuele verkoop van grond als bouwterrein een bijdrage in de aanlegkosten van de weg te betalen. Hij wilde, indien hij dat wenste, een gedeelte van de buitenplaats als bouwterrein in exploitatie kunnen brengen. Daarvoor was het nodig dat het bouwverbod dat in 1857 op zijn gronden aan de Panweg was gevestigd, zou worden opgeheven. In dit verband stelde s'Jacob ook de eis dat de particuliere begraafplaats van de familie Nepveu, die door de wegverbreding te dicht aan de weg zou komen te liggen, door de gemeente Zeist zou worden geruimd en overgebracht naar de begraafplaats in Zeist. De gemeenteraad ging hiermee in zijn vergadering van 20 december 1928 akkoord. Zonder dat dat in de stukken naar voren komt, maar door de aanwezigheid van de particuliere begraafplaats ter plekke, mocht er in de omgeving ook niet worden gebouwd.

 

Ruiming van de grafkelder

Om tot overeenstemming te komen met s'Jacob, wendde het gemeentebestuur zich tot Albert Laurent Theodore Aubin Nepveu tot Ameyde (1854-1928) in Bilthoven. Deze schreef aan het gemeentebestuur terug dat de begraafplaats gesticht was door zijn oom Mr. Jean Ignatius Daniel Nepveu en dat geen 'ascendenten' van hem daar begraven waren. Nepveu van Ameyde vergiste zich hierin echter. Zijn grootvader van vaderszijde, Mr. Laurent Théodore Nepveu, had de begraafplaats gesticht en zijn overgrootouders, zijn grootmoeder en drie van haar jong overleden kinderen lagen er begraven.
Op aanwijzing van Nepveu van Ameyde vroeg het gemeentebestuur nu aan diens neef Paulus Theodorus Nepveu (1861-1944) in Bussum, medewerking te verlenen om tot ruiming van het familiegraf te komen. Hij wilde de familie in deze aangelegenheid wel vertegenwoordigen. Het gemeentebestuur stelde voor de stoffelijke resten over te brengen naar de Nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Woudenbergseweg in Zeist. Nepveu stelde zich in verbinding met s'Jacob en kwam met hem tot de volgende afspraken:
- de nakomelingen van de stichter van het graf zouden het terrein waarop het graf zich bevond, kosteloos afstaan;
- s'Jacob zou een graf kopen op de Nieuwe Algemene Begraafplaats ten name van de familie Nepveu, met afkoop van het onderhoud van dat graf;
- de gemeente Zeist moest: de dichtgemetselde grafkelder openen en ontruimen; de stoffelijke resten en de steen overbrengen naar het nieuwe graf, en zorgen voor een of meer kisten en voor het transport.

Het gemeentebestuur ging met deze regeling voor de ruiming van de particuliere begraafplaats akkoord. De gemeente maakte in februari 1928 kenbaar met het ruimen van het graf te zullen wachten totdat de werkzaamheden aan de Panweg waren uitgevoerd. Dat zou een uitstel van ongeveer anderhalf jaar betekenen. De familie klaagde in oktober 1928 dat het graf door vandalen was vernield. Het vermoeden bestond bij de familie Nepveu dat dat kwam doordat de gemeente ter plaatse bomen gerooid had en struiken verwijderd en dat daardoor het graf 'open en bloot vlak aan de weg' lag. Het waren de rollaag om de grafzerk en de omheining om de begraafplaats die vernield waren. Het vandalisme had tot gevolg dat besloten werd de grafkelder met spoed te ruimen en de stoffelijke overschotten over te brengen. Op 25 oktober verzamelde men zich bij de grafkelder om hem in ogenschouw te nemen. De toegang naar de deur was al vrij gelegd. Bij de laatste begrafenis is 1880 was Jan Veenendaal (1866-1930), koetsier / tuinman, uit het nabijgelegen Huis ter Heide, nog aanwezig geweest. Hij had van tevoren de plek aangewezen waar zich de ingang bevond. Blijkbaar was geen van de familieleden daarvan meer op de hoogte. In aanwezigheid van enkele familieleden en een vertegenwoordiger van gemeentewege werd de kelder ontsloten. Nepveu uit Bussum was in het bezit van de sleutel van de deur. Na de opening bleek dat de meeste kisten geheel vergaan waren. De stoffelijke resten werden in twee nieuwe kisten gelegd. Van tevoren verkeerde men in het ongewisse over de toestand van de stoffelijke resten. Nepveu had al eerder heschreven: 'vermoedelijk zal wel met één kist volstaan kunnen worden, aangezien het al 47 jaar geleden [is] dat in dien kelder voor het laatst is bijgezet.' In aanwezigheid van onder andere een lid van het college van burgemeester en wethouders werden de kisten later per lijkauto overgebracht naar de Nieuwe Algemene Begraafplaats.
De familie Nepveu wenste dat de grafzerk naar het nieuwe graf werd overgebracht. Omdat men voor het openen van de grafkelder niet wist hoe de bouwconstructie was, was men echter ook beducht voor ongevallen. Indien de grafsteen de kelder gedeeltelijk van boven afsloot, dan kon iemand in het donker - 'bijv. een vrijend paartje', aldus Nepveu - in de kelder vallen. Maar na de ruiming liet s'Jacob de keldermuren slechten en de grond gelijk maken. Sindsdien herinnert ter plaatse niets meer aan de grafkelder.

 

De perikelen over het graf op de Nieuwe Algemene Begraafplaats

nepveudetailTer voorbereiding van het overbrengen van de stoffelijke overschotten uit de grafkelder op Dijnselburg naar de Nieuwe Algemene Begraafplaats deelde Nepveu in zijn brief van 16 oktober 1928 aan het gemeentebestuur mede dat s'Jacob hem gevraagd had de gemeente te berichten dat voor zijn rekening een graf kon worden aangekocht. Hierbij werd niets gezegd over de klasse waarin het graf moest liggen. Na het overbrengen van de beide kisten met de stoffelijke resten liet het gemeentebestuur die ter aarde bestellen in een graf in vak A. Die beslissing werd in een brief van 5 maart 1929 aan Nepveu als volgt gemotiveerd: 'Wij hebben toen, rekening houdende met het plaatselijk gebruik, dat eigen graven voor families als de Uwe gewoonlijk gekozen worden in klasse A, alsmede met den uitdrukkelijk door U uitgesproken wensch, dat alles in overeenstemming zou zijn met de waardigheid van de familie Nepveu.' Indien een graf in klasse B was gekozen, zouden de kosten voor s'Jacob vijfhonderd gulden lager zijn geweest. De familie weigerde echter toestemming te geven voor het overbrengen van de kisten naar vak B. De herbegraving had op plechtige wijze plaats gevonden en men vond het niet van veel piëteit getuigen ten aanzien van de overleden familieleden. Omdat s'Jacob de dupe zou worden van het misverstand dat ontstaan was tussen de familie Nepveu en het gemeentebestuur c.q. wethouder Van Walsem en vak B evengoed als vak A eerste klas was, ging men alsnog akkoord met een graf in vak B. Men stelde wel als voorwaarden dat het overbrengen op waardige wijze zou geschieden en een graf werd gekozen in de nabijheid van het graf in vak A en dat aan de overbrenging zo min mogelijk ruchtbaarheid zou worden gegeven. Begin juni 1929 werd de inhoud van het graf van vak A nummer 9 overgebracht naar vak B nummer 103. Dit graf wordt nu nog gedekt door de oude zerk afkomstig van de grafkelder aan de Panweg met alleen daarop de tekst 'Nepveu'. (2002)

 

Bronnen

  • Archief der gemeente Zeist, 1599-1905, inv.nrs. 150 (correspondentienummer 226) en 300; Gemeentearchief Zeist (GAZ)
  • Archief der gemeente Zeist, 1906-1945, inv.nrs. 1596 en 1919; GAZ
  • Archief van het provinciaal bestuur, 1813-1920, inv.nr. 453; Het Utrechts Achief (H.U.A.)
  • Archief van notaris Jacob Hendrik van Schermbeek, inv.nr. U 321e139, aktenr. 19735; H.U.A.
  • Archief van notaris Arnout Vosmaer, inv.nr. 3065, aktenr. 877; H.U.A.
  • V.A.M. van der Burg en R.P.M. Rhoen, De gemeenteraad van Zeist, 1851-1976, Zeist (1994)
  • Kraal's nieuwe groote gids van Zeist, Zeist (1907)
  • Nederland's Patriciaat, 33e jrg., Den Haag 1947
  • Het nieuws voor Zeist, 2 november 1928

 

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section

Contact

E: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.