Utrecht - Het vergeten graf van Suster Bertken

Geschreven door René ten Dam op . Gepost in Vergeten en verdwenen graven en begraafplaatsen

 

GedenksteenWie vanaf het gemeentehuis van Utrecht de Choorstraat inloopt, ziet na een kleine honderd meter in het trottoir de contouren van de vroegere buitenmuren van de Buurkerk. In het trottoir aan de rechterzijde een steen met de tekst: 'Zuster Bertken leefde hier als kluizenares ingemetseld in een muurnis in het koor van de Buurkerk 1457-1514'. Onderaan de sterk uitgesleten steen een plattegrond van het koor van de kerk met een goudkleurige strip op de plek waar de kluis van Suster Bertken zich moet hebben bevonden.

Suster Bertken werd geboren als Berta Jacobsdochter in 1426 of 1427 in Utrecht en ze werd in 1514 op 87-jarige leeftijd begraven in de kluis waar ze zich 57 jaar daarvoor vrijwillig had opgesloten. Echt veel meer dan de levensbeschrijving die in haar kist werd gevonden weten we niet van haar. Pas in 1958 blijkt uit archiefonderzoek dat Suster Bertken de natuurlijke dochter is van de proost van het Utrechtse kapittel van St. Pieter, Jacob van Lichtenberch.

 

Inkluizing

De 'inkluizing' ontstond in de 3e of 4e eeuw in het Oosten en breidde zich van daaruit over Europa uit. De inkluizing werd als een hogere vorm van het religieuze leven beschouwd, een levenslange afzondering om God lief te hebben. Omstreeks 900 stelde de ingekluisde Franse priester Grimlaicus een aantal vaste regels op voor inkluizing. Hij stelde dat de kluis van kleine afmetingen moest zijn en stevig ommuurd. De kluis moest aan een kerk zijn aangebouwd en daarmee een venster gemeen hebben. Via dit venster konden de ingekluisden uitzien op het altaar en de mis volgen. Omdat de ingekluisden niet mochten worden gezien, moest voor dit venster een gordijn hangen. Hetzelfde gold voor het tweede venster, aan de buitenzijde van de kluis. Door dit venster kreeg de ingekluisde lucht en licht. En aangezien de deur werd verzegeld, diende dit tweede venster ook om het voedsel aan te reiken. Slechts bij ziekte werd het zegel verbroken en mocht men eventueel tijdelijk de kluis verlaten. Wie uit eigen beweging de kluis verliet, werd geëxcommuniceerd.


De ingekluisden kwamen veelal voort uit de adel en de welgestelde burgerij. Onder hen openbaarde zich in de Middeleeuwen een beweging om rijkdom en aanzien te verwerpen. Ingekluisden betaalden vaak zelf voor de bouw van de kluis of kregen steun van vrienden. Ontbrak het geld, maar niet de wil, dan moest men wachten totdat een kluis vrijkwam.
Vóór de insluiting deed men afstand van alle bezittingen en vermaakte dit aan de kerk of het klooster waar men zich liet insluiten.

 

Suster Bertken's dood en laatste rustplaats

In 1457 liet Suster Bertken, nadat ze een lijfrente had verkocht, op eigen kosten een kluis bouwen. De wijbisschop van Utrecht verrichtte de inkluizing. Vanuit haar kluis woonde Suster Bertken de dagelijkse misviering bij en bad zeven keer per dag de kerkelijke getijden. Enkele uren per dag luisterde ze door het venster aan de buitenzijde naar voorbijgangers en gaf hen raad. Ze onderhield zich met handwerk, waarvan ze haar eten kon kopen. Wat ze overhield aan verdiensten schonk ze aan de armen.
De 57 jaar in de kluis bracht Suster Bertken in zware boetedoening door. Ze at geen vlees en gebruikte geen zuivelprodukten. Elke dag was ze gekleed in een grof haren kleed met een eenvoudige rok. Ze leefde blootsvoets en zonder vuur. Dag in, dag uit.

Op 25 juni 1514, St. Lebuïnusdag, overleed Suster Bertken. Op bevel van de Domdeken hebben de Domklokken haar tweemaal overluid "als over een prelaet". Er was grote belangstelling bij haar dood, getuige het feit dat zes kerkwachters elke een pond betaald kregen om twee dagen na Bertken's overlijden de menigte, aan wie toen gelegenheid werd gegeven Bertken's kluis te bezoeken en een blik op haar graf te werpen, in bedwang te houden. Overeenkomstig haar wens was ze begraven in de kluis waar ze het grootste deel van haar leven had doorgebracht. In haar doodskist werd een Latijnse levensbeschrijving gelegd "wel besloten in een glas". Aan de levensbeschrijving hingen de zegels van de deken van Oudmunster, de deken van de Dom en de prior van het Regulierenklooster.
Het lijkt er op dat verbouwingen aan de Buurkerk werden uitgesteld tijdens het leven van Suster Bertken om haar niet te storen bij haar religieuze zelfopoffering, maar bij verbouwingen na haar dood is de kluis afgebroken en werd haar grafkelder bedolven onder puin en bouwmaterialen. Bij het opruimen bleek de grafkelder te zijn vernield. Op een andere plaats werd een nieuwe grafkelder gemetseld en voorzien van een zerk. Dit graf wordt vermeld in de rekeningen van de Buurkerk van 1539-1540 waar sprake is van "een grafstede op 't Heil. Cruys-choor, daer een kelre gemaeckt is naest Bertgen Susters graf".
Toen de Buurkerk in 1579 overging in Protestantse handen werd ook het Heilig Kruiskoor afgebroken en werd de kerk met een rechte muur afgesloten. Op de vrijgekomen ruimte ontstond de Choorstraat. Aangezien bij het gereed maken van de bouwgrond het graf van Suster Bertken niet werd gevonden is het aannemelijk dat ze nu nog rust onder de drukke winkelstraat.

Waar het merendeel van de kluizenaars niet of weinig ontwikkeld was, gold dit zeer zeker niet voor Suster Bertken. Ze was afkomstig uit een vooraanstaand geslacht en heeft zeer waarschijnlijk een goede opvoeding genoten. In haar kluis volgde ze een strakke dagindeling en wist een bescheiden religieus-literaire erfenis na te laten, na haar dood in twee boekjes uitgegeven. Het eerste boekje bevat een overweging bij het lijden van Christus, een zogenaamd 'passieboekje'. Het andere boekje bestaat uit verschillende werken waaronder enkele gebeden, een aantal liedjes en een dialoog tussen de minnende ziel en haar bruidegom Jezus. In de eerste jaren na haar dood hebben drie drukkers haar werk uitgegeven. Voor het van mystiek en de geest van de Moderne Devotie doortrokken werk was grote belangstelling. (2002)

 

Literatuur & bronnen

  • 'Een boecxken gemaket ende bescreven van Suster Bertken die lvij iaren besloten heeft gheseten tot Utrecht in die buerkercke'. Inleiding door dr. C. Catharina van de Graft; Zwolle (1955).
  • 'Copye Van de Brief, die in Suster Barte Dootkist geleyt is, wel beslooten in een glas' in: Utrecht. Tijdschrift voor geschiedenis, oudheden enz. van Utrecht (1839, blz. 289)
  • Th. Haakma Wagenaar: 'De bouwgeschiedenis van de Buurkerk te Utrecht'; Utrecht (1936)
  • J. Sneller: 'Iets over "Suster Bertken, die 57 jaren besloten heeft gheseten tot Utrecht in dye Buerkercke"' in Jaarboekje van "Oud-Utrecht" 1927
  • 'Suster Bertken, Twee bij Jan Seversz in Leiden verschenen boekjes ('s-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 227 G 46) in fascimile uitgegeven. Met een inleiding door A.M.J. van Buuren'; Utrecht (1989)

 

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section