Buren – Het grafmonument voor Maria geboren prinses van Oranje

Geschreven door René ten Dam op . Gepost in Dood en begraven van het Huis van Oranje-Nassau

Portret van Maria van Oranje-NassauMaria, prinses van Oranje, geboren in 1556 en overleden in 1616, is zoals veel prinsessen uit het huis van Oranje-Nassau ietwat vergeten. Maria is het derde kind, en tweede dochter, uit het huwelijk van Willem van Oranje met Anna van Egmond, gravin van Buren. Zoals de meeste prinsessen die in andere vorstenhuizen zijn gehuwd ligt Maria niet in de prinselijke grafkelder in Breda of in de koninklijke grafkelder in Delft. Ze is daarentegen ook niet begraven bij haar Duitse echtgenoot, maar na haar dood bijgezet in de grafkelder van haar moeders familie onder het koor van de Lambertuskerk in Buren.

Een roerige jeugd

Maria werd vernoemd naar landvoogdes Maria van Hongarije, de zuster van keizer Karel V. Ook het eerstgeborene dochtertje van Willem van Oranje was naar haar vernoemd, maar het meisje overleed al voor haar tweede verjaardag. In maart 1558 overleed Maria’s moeder na een ziekbed van enkele maanden. Anna van Egmond werd bijgezet in het prinselijk familiegraf te Breda. Willem zou enkele jaren later in 1561 hertrouwen met Anna van Saksen.
Maria, of Mayken, groeide de eerste jaren op aan het hof van haar vader en bij haar stiefmoeder, maar na haar negende kreeg ze een paar jaar haar opvoeding aan het Brusselse hof van de toenmalige landvoogdes Margaretha van Parma, een buitenechtelijke dochter van Karel V.

In 1559 was Willem door de Spaanse koning Filips II, die zijn vader Karel V was opgevolgd, benoemd tot stadhouder van Holland, Zeeland en Utrecht. Onder de hoge edelen in de Nederlanden ontstond in de daaropvolgende jaren steeds meer weerstand tegen beperkingen die de Spaanse koning de Staten oplegde. Hoewel Willem aanvankelijk wat gematigd van toon was, pleitte hij in 1564 als reactie op de Spaanse kettervervolging voor de gewetensvrijheid van de protestanten. Toen de lage adel zich verbond in een Compromis der Edelen, keurde Willem dit af, maar de Spaanse koning greep hard in en stuurde de Hertog van Alva naar de Nederlanden. Willem zag het onheil naderen, ook omdat hij geen nieuwe eed van trouw aan de koning had afgelegd, en vertrok naar het familieslot in Dillenburg. Maria ging met hem mee en woonde daar tien jaar bij haar oom Jan van Nassau. Willems één jaar oudere zoon Filips Willem was achtergebleven in Leuven, waar hij studeerde. Hij werd als wraak door Alva meegenomen naar Spanje en zou pas in 1596, 12 jaar na de dood van zijn vader, terugkeren naar de Nederlanden. Intussen was de opstand tegen de Spaanse overheersing een feit nadat in 1581 de Spaanse koning werd afgezworen met het Plakkaat van Verlatinghe. In 1588 richtte de Staten-Generaal de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden op, wat voor de Noordelijke Nederlanden een afscheiding betekende van de Zuidelijke Nederlanden. Willem was daarvoor al door de Spaanse koning vogelvrij verklaard en in 1584 werd hij in Delft door de Franse katholiek Balthasar Gerards doodgeschoten. Hij werd als stadhouder opgevolgd door zijn zoon Maurits, geboren uit het huwelijk van Willem met Anna van Saksen. Met Maurits voerde Maria een moeilijke strijd over de nalatenschap van hun vader. Aanvankelijk voerde ze namens de gegijzelde Filips Willem het beheer over alle familiebezittingen, maar met hulp van de Staten-Generaal kreeg Maurits het merendeel in beheer, met uitzondering van de Burense goederen. Maurits gebruikte zelfs de titel ‘geboren prins van Oranje’, terwijl dat de titel was die Maria droeg aangezien haar broer nog steeds gevangene was van de Spaanse koning.

Een laat huwelijk

Filips van HohenloheMaria trouwde in 1595 op negenendertigjarige leeftijd met Filips van Hohenlohe-Neuenstein, een voormalig opperbevelhebber uit het opstandelingenleger van Willem van Oranje. Al in 1582 had ze toestemming voor het huwelijk gekregen van haar vader, maar het huwelijk liet lang op zich wachten, met name door financiële problemen en bezwaren van Maurits. Onder leiding van Hohenlohe werd een begin gemaakt met de indijking van Noord-Beveland, dat met Sint Maartensdijk tot de Burense goederen behoorde, wat zorgde voor broodnodige inkomsten. Daarnaast herstelden de Burense domeinen zich van de opgelopen oorlogsschade zodat er een voorlopig einde kwam aan Maria’s langdurige geldzorgen. 

In 1604 begon Hohenlohe aan een ernstige ziekte te lijden die gepaard ging met verlammingsverschijnselen. Twee jaar later overleed hij op het kasteel van IJsselstein, waar het paar regelmatig verbleef. Het huwelijk bleef kinderloos. Wel had Filips enkele onwettige kinderen uit een voorechtelijke relatie met Johanna van der Beke uit Den Haag. Maria adopteerde de negenjarige wees Margrita Maria gravin van Falckenstein voor wie vlak voor Filips dood het verzoek kwam om de zorg voor haar op te nemen.
Filips werd na zijn dood gebalsemd, waarbij de verwijderde organen in een kist in de kerk van IJsselstein werden bijgezet. Zijn lichaam werd later bijgezet in het familiegraf in de Stiftskirche St. Peter und Paul te Öhringen (Baden-Württemberg).

Een monument voor Filips van Hohenlohe

Monument HohenloheSinds 1725 staat tegen de noordwand van het hoogkoor van de Stiftskirche een monument dat herinnert aan Filips en Maria. In eerste instantie was het opgesteld als cenotaaf in de hoofdingang van de kerk. De figuren van Maria en Filips bedekten aanvankelijk een graftombe, maar staan nu rechtstandig in het monument. De opdracht voor de oorspronkelijke graftombe kwam van Hohenlohe zelf, die testamentair had vastgelegd dat een monument moest worden opgebracht met daarop levensgrote afbeeldingen van hem en zijn vrouw, met daar omheen afbeeldingen van de diverse strijdtonelen waar Hohenlohe bij betrokken was geweest in de Nederlanden. Het werk werd uitgevoerd door de beeldhouwer Michael Kern uit Forchtenberg, die het echtpaar in albast marmer heeft gehouwen. De reliëfs met veldslagen van de Bommelerwaard, Grave, Hardenberg, Engelen en Geertruidenberg rondom het paar, sierden destijds de zijwanden van de tombe, waarbij engelen aan het hoofdeinde stonden en Romeinse soldaten als grafwachters de hoeken van het monument sierden. De soldaten vinden we nu terug in het basement, terwijl een drietal putti de bovenzijde van het monument sieren met daartussen de wapens van het echtpaar. De Latijnse tekst onderaan het monument luidt: ‘MONUMENTUM / HONORI ET MEMORIAE / FILIPPO COMITIS AB HOHEN- / LOHE ORDINUM CONFOEDERAT / BELGII SUMMI MILITIAE PRAEFECTIE / ET / MARIAE CONJUGIS EJUS / GUILIELMI PRINCIPIS / AURAUSION FILAE / SACRUM / ANNO 1606’.
Dat Maria op het monument in de kerk staat afgebeeld zou later bij het Burense kerkbestuur nog voor verwarring zorgen.

In 1606 verkocht Maria haar eigen rechten op de familiegoederen aan haar broer. Wel bleef ze in Buren wonen. In 1612 stichtte Maria het weeshuis in Buren, waarvoor zij goederen en fondsen beschikbaar stelde ter waarde van 32.000 gulden. Het weeshuis was bedoeld voor weeskinderen afkomstig uit het gebied van de Burense bezittingen: de graafschappen Buren en Leerdam, de Baronie van Acquoy en de heerlijkheid IJsselstein. De voltooiing van het weeshuis maakte ze echter niet meer mee, Maria stierf op 30 september 1616. Enkele weken later werd ze op 23 oktober bijgezet in het familiegraf van de graven van Buren in de Lambertuskerk.

Het weeshuis

Het weeshuis te BurenBij de grote stadsbrand van Buren in 1575 werd ook het Franciscanenklooster van St. Barbara verwoest. Op het terrein zou Maria in 1613 het weeshuis stichten. Ze overleed voor de voltooiing een feit was en het was haar halfbroer Maurits die een reglement opstelde, waarin werd bepaald dat er plaats was voor '24 schamele wesen, 12 jonge knegtjes en 12 jonge meijskens’. Alleen wezen uit de Burense bezittingen konden terecht en bovendien moesten ze 'echte geboren en gecomen sijn van eerlijke vrome ouders'. Op hun kleding droegen de kinderen een geborduurde oranje ‘M’ ter herinnering aan de stichtster. Gemiddeld woonden er 25 kinderen in het weeshuis, die waar mogelijk hielpen in de huishouding en het onderhoud om de kosten te drukken.


Het weeshuis zou meer dan 300 jaar in functie blijven. In 1952 kreeg het pand een andere bestemming en werd het gebruikt voor de opvang van voogdijkinderen. Sinds 1972 huist het Marechausseemuseum in het pand. Het bestuur van het Weeshuis te Buren wordt nog steeds bij Koninklijk Besluit benoemd.

Maria’s laatste rustplaats

Monument voor Maria van OranjeTegenwoordig siert een fors grafmonument haar laatste rustplaats, echter het monument is niet oorspronkelijk. Meer dan 250 jaar was er geen grafmonument te zien en dat is waarschijnlijk ook de oorzaak dat men in de negentiende eeuw niet meer zeker wist waar Maria begraven lag. Zelfs haar naam stond niet vermeldt in het oudste nog aanwezige grafboek.
Voor 1575 stond er in de zuidgevel in het koor van de kerk in ieder geval een gebeeldhouwd grafmonument ter herinnering aan Maria’s grootvader, Maximiliaan van Egmond, graaf van Buren. Helaas is die graftombe bij de grote stadsbrand dat jaar verloren gegaan. Een messing plaat herinnert nog aan het monument. Of er ook nog andere grafmonumenten in het koor hebben gestaan is onbekend. Wellicht moet de oorzaak van het ontbreken van een gedenkteken voor Maria gezocht worden in de oorlog met Spanje. Misschien was men bang dat een grafmonument de Spaanse troepen aanleiding zou geven tot vernielingen of erger, grafschending. Voor het overlijden van Maria was Buren immers meerdere malen in Spaanse handen gevallen. Nadien echter niet meer. Ook Frederik Hendrik, zoon van de vierde vrouw van Willem van Oranje, zag er blijkbaar gaan aanleiding toe om een gedenkteken op te richten, ondanks het feit dat hij met grote regelmaat op het kasteel van Buren huisde en het kasteel ook liet restaureren. Wat bovendien niet meehielp was dat het koor na de reformatie buiten gebruik was gesteld en met herenbanken (waaronder notabene de Princessebank) werd afgesloten.
Eind negentiende eeuw werd het duidelijk dat de prinses in de kerk begraven moest zijn. Predikant Stort, die van 1850-1684 te Buren stond, vermelde in zijn nagelaten aantekeningen dat de prinses op zondag 13 oktober 1616 in het koor van de kerk begraven zou zijn. De exacte locatie bleef vooralsnog gissen. Men durfde geen onderzoek in te stellen, bang als men was voor instortingsgevaar. Bovendien zouden latere graven de indeling van het koor onoverzichtelijk hebben gemaakt. Zo was ten minste de gedachte.

Eindelijk dan toch een gedenkteken


Reproductie plattegrondIn 1887 stelde de toenmalige predikant van de Burense kerk, Ds. Joh. Van den Kieboom, voor om de in het middenschip liggende grafkelder, vlak voor de preekstoel, op te sporen en aan een onderzoek te onderwerpen. De op dat moment gaande restauratiewerkzaamheden boden volgens hem daar goed de gelegenheid voor. Het kerkbestuur ging akkoord en de grafkelder werd gevonden en geopend. In de kelder vond men skeletdelen van een vrouw, maar verder onderzoek leverde niets op. Voor Van den Kieboom was dit voldoende bewijs om het Burense Weeshuis te verzoeken een sierlijk bord te laten vervaardigen met daarom de gegevens van de prinses en de duiding van haar laatste rustplaats. De curatoren van het weeshuis wezen het verzoek af en wilden eerst zekerheid hebben. Het kerkbestuur dacht die zekerheid te krijgen van de destijds in hoog aanzien staande beroepsgenealoog Antonie Vorsterman van Oyen. Deze wist echter te melden dat Maria lag begraven in de Stiftskirche te Öhringen bij haar man. Ds. Van den Kieboom op zijn beurt schreef het gemeentebestuur van Öhringen aan met de vraag of Maria inderdaad daar was bijgezet in de familiegrafkelder van Hohenlohe. Het gemeentebestuur antwoordde resoluut dat Maria na de bijzetting van haar man nooit meer in Öhringen was geweest en dat ook haar lichaam na haar dood niet naar Öhringen was gebracht.


Ansicht Monument voor Maria Op initiatief van de dominee nam het kerkbestuur vervolgens het besluit dat er een gedenkteken voor de prinses moest komen, maar niet op kosten van de kerkgemeente. Het plan was een zwart marmeren steen in de pilaar tegenover de preekstoel te plaatsen, met daarop in gouden letters een nog nader te bepalen tekst. Na veel vergaderen, overleg en onderzoek werd een tekst opgesteld, maar nog steeds waren de curatoren van het weeshuis niet van plan het volledige bedrag voor het monument voor hun rekening te nemen. Een inzameling door middel van een intekenlijst werd opgestart, maar toen Ds. Van de Kieboom werd beroepen in Schalkwijk en ’t Goy verdween ook de animo om een monument voor de prinses op te richten. Totdat men in het archief een aantal plattegronden van de kerk uit 1625 en 1763 terugvond waarop een grafkelder stond aangegeven midden in het koor. Men besloot dit te onderzoeken en al 10 centimeter onder de vloer van het koor vond men het gewelf van een grafkelder. Men trof er een vijftal loden kisten, waarvan één het opschrift droeg het stoffelijk overschot te bevatten van Maximiliaan van Egmond en een tweede, de resten van Maria van Oranje.

Koningin-regentes Emma werd aangeschreven hoe om te gaan met de grafkelder, waarop zij antwoordde dat het kerkbestuur volkomen vrijheid van handelen had. Er werden verdere contacten gelegd en Victor de Stuers, in dienst bij het Ministerie van Binnenlandse zaken, gaf opdracht tot het maken van een restauratieplan. Uiteindelijk was het waarschijnlijk weer wachten op de benodigde financiën, want het duurde een aantal jaren voordat de plannen voor een monument een vervolg kregen.

Grafplaat MariaIn 1899 werden de besturen van de gemeenten die gerechtigd waren kinderen in het weeshuis van Buren te doen opnemen aangeschreven. Buren, Leerdam, Beesd, Schoonrewoerd en Benschop reageerden positief. Buurmalsen, Beusichem en IJsselstein wezen het verzoek af. Onder de IJsselsteinse gemeenschap bleek daarentegen genoeg waardering voor de plannen en enkele notabelen, maar ook de diaconie en het kerkbestuur sloten zich aan bij het initiatief. Toen koningin-regentes Emma hoorde van de plannen, liet ze het kerkbestuur weten maximaal 1000 gulden te willen bijdragen. Ook de curatoren van het weeshuis reageerden nu positief op een laatste verzoek van het kerkbestuur. Eind december 1900 was het werk uiteindelijk voltooid, daartoe waren wel de vier banken voor het koor verplaatst en het houten beschot dat het koor van de kerk scheidde was verwijderd. Het nieuwe monument werd voor in het koor geplaatst, onder het orgel en voor het houten beschot dat het koor van de kerk scheidde.

Op dinsdag 21 mei 1901 werd het monument onthuld door twee weesjongens in aanwezigheid van tal van genodigden. Belangstellenden konden voor 25 cent een kaartje kopen. Op het monument worden Maria en haar grootvader Maximiliaan van Egmond en andere familieleden van de graven van Egmond herinnert. Naast het plaatsen van een gedenkteken was ook de grafkelder toegankelijk gemaakt. Weliswaar bevond de toegang zich achter het houten beschot, dus buiten zicht, maar waarom dat is gebeurd, blijft vooralsnog onduidelijk. Een steen met de aanduiding ‘INGANG GRAFKELDER PRINSES‘ was voor de toegangsdeur geplaatst.

Ingang grafkelder Buren

25 mei 1912 werd in de kerk een viering gehouden ter gelegenheid van het 300-jarig bestaan van het weeshuis. Als huldeblijk aan de oprichtster werd een met de hand gesmede krans, van de Amsterdamse siersmid A.J. Dingelmans, bij de graftombe aangebracht.


De curatoren van het weeshuis bleken zich echter te storen aan de in 1901 aangebrachte bovengrondse ingang van de grafkelder en deden in 1912 het verzoek de ingang aan te passen. Dat bleek het volgende jaar gerealiseerd te zijn. Wat de aanpassing precies is geweest is onduidelijk. Van afbeeldingen weten we hoe de ingang er na 1913 uit heeft gezien en hoe deze toegang bood tot de grafkelder.
Pas in 1931 werden de oorspronkelijke gehavende loden kisten vervangen door nieuwe zinken kisten. Dit bood ook de gelegenheid om onderzoek te doen naar de verschillende resten in de kisten. Vreemd genoeg was zowel het vervangen van de kisten als het aanvullende onderzoek nog niet eerder gebeurd. De kisten waren zo gehavend dat resten uit verschillende kisten in andere kisten terecht waren gekomen. Door de aanwezigheid van de loden naamplaten was het al duidelijk dat Maria en haar grootvader Maximiliaan in de grafkelder waren bijgezet. De andere kisten behoorden Gedenkteken Mariawaarschijnlijk toe aan Frederik van Egmond, Floris van Egmond en de echtgenoot van Maximiliaan, Françoise de Lannoy.

De huidige situatie

Bij de restauratie van de kerk eind jaren zeventig van de vorige eeuw werd de kerk weer teruggebracht in de situatie zoals de kerk er uit zag voor de reformatie. Dat betekende ook dat het koor weer bij de kerk getrokken werd. De ingang van de grafkelder werd afgebroken en het monument werd achter in het koor geplaatst, tegen de koorsluiting. Achter het monument werd de handgesmede krans geplaatst. De steen die voor de ingang had gelegen werd over de toegangstrap geplaatst. Daarmee was de grafkelder ook weer echt afgesloten. Door de verplaatsing staat het grafmonument tegenwoordig niet meer boven de grafkelder.

Gedenkteken kasteel

Het kasteel van Buren heeft de tand des tijds niet doorstaan. Na de dood van Frederik Hendrik raakte het kasteel in verval, wellicht speelde de grootte van het geheel daarbij een rol. Eind achttiende eeuw werd het kasteel nog gebruikt als hospitaal voor Hessische en Engelse troepen. Maar uiteindelijk werd in 1804 besloten om het kasteel af te breken. Het duurde jaren voordat het hoofdgebouw was gesloopt en veel stenen werden gebruikt voor de bouw van huizen. Hardstenen onderdelen kwamen soms terecht in de gevels van huizen in Buren. Met het puin werd verder de Hondsbossche Zeewering versterkt. In 1883 werden tenslotte de stenen van het poortgebouw gebruikt voor een poortgebouw van de begraafplaats die op de wallen van het voormalige kasteel was aangelegd. Eind negentiende eeuw werd het initiatief genomen om met resterende ornamenten van het kasteel een monument op te richten. Het monument kwam er in 1899, maar de ornamenten werden veelvuldig gestolen. In 1971 werd een nieuw monument opgericht ter herinnering aan het kasteel en zijn bewoners. Zo herinnert met name het grafmonument voor Maria van Oranje in de Lambertuskerk aan het rijke verleden van de stad Buren. (2016)

Literatuur

  • Erik Swart, ‘Maria prinses van Oranje’, in: Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland http://resources.huygens.knaw.nl/vrouwenlexicon/lemmata/data/mariavannassau [versie 13/01/2014]
  • R.E. van Ditzhuyzen, Oranje-Nassau – Een biografisch woordenboek (1992)
  • N. Berghuijs, ‘Een late hulde aan Maria van Oranje-Nassau, prinses van Oranje en de mysteries van een vergeten grafkelder in Buren’, overdruk uit: De Drie Steden jrg. 5 nr. 2 Historisch Tijdschrift voor Tiel, Buren en Culemborg (1984)
  • Monumenten voor Nassau en Oranje (Red. E. van Heuven-Van Nes, A. Van Schaik, M. Spliethof) p. 78-79 (2004)
  • P.W. Stuij, Het leven van Philipp von Hohenlohe (2e druk 2008)
  • P.W. Stuij, Addenda bij het boek ‘Het leven van Philipp von Hohenlohe (2008-2012)

Internet

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section

Contact

E: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.