Delft - Militair ceremonieel rond de Koninklijke begrafenis van HKH Prinses Juliana

Geschreven door Leon Bok op . Gepost in Dood en begraven van het Huis van Oranje-Nassau

 

Garderegiment Fuseliers Prinses Irene (foto: Wim Cappers)In de vroege ochtend van 20 maart 2004 overleed Prinses Juliana. Ongeveer anderhalf jaar na de dood van Prins Claus had Nederland wederom een Koninklijke begrafenis. De ervaringen van 2002 waren nog vers en de draaiboeken voor de uitvaart konden weer uit de kast gehaald worden. De Koninklijke begrafenis ging dit keer om een prinses, ooit Koningin der Nederlanden. Hierdoor dienden een aantal zaken anders te gaan, ook al vanwege de wensen van de Prinses. In de week na het overlijden werd al medegedeeld dat het militair ceremonieel terughoudend zou zijn, in de lijn van Juliana's gedachten daarover. Volgens het hof zou voor de begrafenis gezocht worden naar een juiste balans tussen traditie, stijl en ingetogenheid die de overledene gewenst zou hebben. Juliana was, zoals algemeen bekend, niet bepaald militaristisch ingesteld. Over de exacte aanpassingen in het ceremonieel werd geen mededeling gedaan. De verschillen waren uiteindelijk zichtbaar in de minder nadrukkelijke aanwezigheid van de ere-wachten en andere militairen. Ook de meer soepele pas van de dragers en de wijze waarop de kist in de kerk op de katafalk geplaatst werd, was zichtbaar anders dan bij Prins Claus. De begrafenis van Prins Claus was de eerste in lange tijd en daarom waren de veranderingen in het ceremonieel ten opzichte van die van Koningin Wilhelmina duidelijk zichtbaar. Over het algemeen werden bij de begrafenis van Prinses Juliana geen al te grote veranderingen aangebracht, alleen ten aanzien van de inzet van de Nederlandse krijgsmacht waren er verschillen.

 

Bijdragen verschillende krijgsmachtdelen

Wederom leverden alle Nederlandse krijgsmachtonderdelen een aanzienlijke bijdrage voor de uitvaart. Bij de voorbereidingen en de uitvaart zelf waren ruim 9.000 militairen betrokken. Vijfduizend daarvan waren afkomstig van de Koninklijke Landmacht. De Koninklijke Marine leverde tweeduizend militairen, de Koninklijke Luchtmacht achttienhonderd en de Koninklijke Marechaussee achthonderd. Naast deze militaire aanwezigheid waren er ook nog eens duizenden politieagenten betrokken bij de voorbereidingen en de uitvaart zelf.

De Nederlandse krijgsmacht bestaat uit een viertal onderdelen die hieronder alle behandeld worden. Een onderdeel echter dat feitelijk niet onder één van de vier gerekend kan worden is de Koninklijke Militaire Academie (KMA). De KMA werd opgericht in 1828 en levert beroepsofficieren voor de Koninklijke Landmacht, de Koninklijke Luchtmacht en de Koninklijke Marechaussee. Zo'n 150 cadetten van de KMA waren op 30 maart vertegenwoordigd op de Markt in Delft. 100 daarvan waren in opleiding als officier voor de Koninklijke Landmacht, 12 voor de Koninklijke Marechaussee en 38 voor de Koninklijke Luchtmacht.

 

Koninklijke Luchtmacht

Bij het jongste onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht zijn dagelijks ruim 12.000 medewerkers actief ten behoeve van de inzet van het luchtwapen bij de verdediging van het Nederlandse en bondgenootschappelijke luchtruim. Ongeveer 1800 militairen werden ingezet voor de uitvaart van Prinses Juliana, zo'n 200 minder dan bij de uitvaart van Prins Claus. Bijna alle onderdelen van de luchtmacht leverden militairen.
De meeste militairen van de luchtmacht waren betrokken bij de ereafzetting op 30 maart zelf. Verder vormden 24 hoofdofficieren op vrijdag 26 maart de dodenwacht op Paleis Noordeinde en waren 31 luchtmachtmilitairen in de rang van soldaat tot luitenant op de zaterdagavond van 27 maart betrokken bij de fakkelwacht. Zes onderofficieren verleenden algemene ondersteuning op het paleis. De acht dragers die onder leiding van adjudant Ab Spruit op woensdag 24 maart de kist het Paleis Noordeinde binnendroegen, waren afkomstig van Vliegbasis Soesterberg.

 

Koninklijke Landmacht

Zoals ook bij de uitvaart van Prins Claus leverde de Koninklijke Landmacht wederom de meeste militairen. Dit onderdeel van de krijgsmacht beschikt over ruim 30.000 burgermedewerkers en militairen. Verschillende onderdelen speelden een grote rol in een aantal uiteenlopende plechtigheden. Tussen een aantal van deze onderdelen en het Koninklijk Huis bestaan nauwe banden, zoals het garderegiment Grenadiers en Jagers. De grootste bijdrage leverde de Landmacht aan de Ere-afzetting op 30 maart. De volgende eenheden van de Koninklijke Landmacht namen hieraan deel:

  • Korps Nationale Reserve
  • Koninklijke Militaire School
  • Korps Commando Troepen
  • 14e Afdeling Veldartillerie
  • Logistieke eenheden van het Operationeel Commando
  • 25e afdeling Luchtdoelartillerie
  • 106e Verbindingsbataljon
  • Stafstafcompagnie van 41e Gemechaniseerde Brigade
  • 42e Tankbataljon Regiment Huzaren Prins van Oranje
  • 13e Herstelcompagnie
  • 13e Pantsercompagnie
  • Stafstafcompagnie van 13e Gemechaniseerde Brigade
  • 103e Intelligence surveillance targeting acquisition reconnaissance bataljon
  • 43e Brigade Verkennings Eskadron Regiment Huzaren van Boreel
  • 44e Pantserinfanteriebataljon Regiment Prins Johan Willem Friso
  • 12e Bataljon Infanterie Luchtmobiel Regiment van Heutz

 

De verschillende onderdelen

Aan de Ere-wacht bij Paleis Noordeinde namen op 30 maart, de dag van de uitvaart, 95 militairen van het 11 Tankbataljon Regiment Huzaren van Sytszama en het Trompetterkorps Bereden Wapens deel. Alle militairen waren gekleed in het ceremoniële cavalarietenue. De tenues waren afkomstig uit het Depot Ceremoniële Tenuen en Sabels in Rijswijk.
Het Cavalerie Ere-escorte, dat de oude tradities van de bereden escortes voor het Koninklijk Huis voortzet, leverde een escorte bestaand uit een stafpeloton van 17 militairen en een ruiterpeloton van 25 militairen. Deze escorte reed, onder leiding van majoor In den Kleef, op 30 maart achter de twee volgkoetsen in de rouwstoet die vanaf het Instituut Defensie Leergangen werd samengesteld. Van oudsher speelt het Garderegiment Grenadiers en Jagers een belangrijke rol bij officiële gelegenheden. Bij hun oprichting in 1829 waren de Grenadiers en Jagers bestemd om dienst te doen 'onder het oog des Konings'. Als gardist bewaakten ze vorsten en veldheren, maar die taak is vandaag de dag nog slechts rudimentair aanwezig. Zo zijn de Grenadiers en Jagers onder meer aanwezig op Prinsjesdag en bij erewachten bij bezoeken van buitenlandse staatshoofden. Met ingang van 1995 zijn de verschillende regimenten Jagers en Grenadiers samengevoegd tot het Garderegiment Grenadiers en Jagers. 11 Infanteriebataljon Luchtmobiel is de huidige eenheid van het Garderegiment Grenadiers en Jagers. Tijdens de dagen voor de uitvaart leverde het regiment militairen voor de Erepost in Paleis Noordeinde.

Een ander garderegiment dat nauwe banden heeft met het Koninklijk Huis is het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene. Dit Garderegiment zet de tradities voort van de Koninklijke Nederlandse Brigade 'Prinses Irene' dat in 1941 in Engeland werd opgericht. In 1948 werd het Regiment benoemd tot Garderegiment en later, onder Koningin Juliana mochten de soldaten van het Garderegiment Prinses Irene het predikaat "Fuseliers" toevoegen aan hun rang.

 

Gele rijders

Het Korps Rijdende Artillerie speelde als oudste korps van de Koninklijke Landmacht een niet geheel onbelangrijke rol bij de uitvaartceremonie. De tradities van het Korps worden sinds 1963 in ere gehouden door 11 Afdeling Rijdende Artillerie, dat gelegerd is in 't Harde. Het afvuren van ceremoniële schoten is een van hun taken, waarvoor het hele jaar door geoefend wordt. Van het Korps, ook wel bekend als de Gele Rijders, werden in totaal 90 man betrokken bij de voorbereidingen en de uitvaart. Op de dag van de uitvaart vormde het Korps twee saluutbatterijen. Elke batterij werd door 16 militairen bediend. De 1e batterij stond opgesteld nabij het Vliet in Rijswijk en de 2e bij de Oostsingel in Delft. Beide batterijen bestonden uit 4 kanonnen van 25 pond (kaliber 88 mm). Ze vuurden elke minuut vanaf het moment dat de stoet bij het Instituut Defensie Leergangen vertrok tot en met de bijzetting in de Koninklijke grafkelder.

 

Koninklijke Marechaussee

De Koninklijke Marechaussee (Kmar) is naast de Koninklijke Marine, de Koninklijke Landmacht en de Koninklijke Luchtmacht, het vierde krijgsmachtdeel. Deze politieorganisatie met een militaire status heeft een gevarieerd takenpakket waaronder ook een aantal ceremoniële taken met betrekking tot het Koninklijk Huis. Van de 6400 mensen die werkzaam zijn bij de Koninklijke Marechaussee werden 800 militairen ingezet bij de uitvaart. Het motorescorte van de Koninklijke Marechaussee begeleidde het overbrengen van Prinses Juliana van Paleis Soestdijk naar Paleis Noordeinde. Tijdens de uitvaart op 30 maart werden de dubbelposten van de Koninklijke Marechaussee op vrijwel alle locaties opgesteld en net als bij de uitvaart van Prins Claus maakten dertien ruiters van de Ere-escorte Koninklijke Marechaussee deel uit van de rouwstoet.

 

Koninklijke Marine

Net als bij de uitvaart van Prins Claus leverde de Koninklijke Marine weer veel militairen voor de ere afzetting. De twee verschillende hoofdgroepen van de Koninklijke Marine, te weten de Vloot en het Korps Mariniers, beschikken samen over 11.577 militairen. Het Korps Mariniers bestaat uit 3095 Mariniers. In totaal werden circa 2.000 militairen ingezet van beide hoofdgroepen. Een Eredetachement van 100 militairen liep mee in de uitvaartstoet.
De Mariniers, afkomstig van de kazernes in Doorn en Rotterdam leverden ondersteuning aan de Erewacht bij de Nieuwe Kerk in Delft. Ze zijn bij uitstek herkenbaar aan de rode bies aan de zijkant van hun uniformbroek. Deze rode bies komt ook terug in de pet die ze dragen.
De militairen van het Korps Adelborsten waren op 30 maart aanwezig op de Markt in Delft. Het Korps bestaat uit toekomstige beroepsofficieren van de Koninklijke Marine.

 

Muzikale ondersteuning

Net als bij de uitvaart van Prins Claus speelde ook bij de uitvaart van Prinses Juliana de muzikale ondersteuning een grote rol. Van verschillende onderdelen van de krijgsmacht waren dan ook muzikanten aanwezig.
De Kapel van de Koninklijke Luchtmacht maakte tijdens de uitvaart deel uit van de rouwstoet. De kapel bestaat uit twee ensembles: het Orkest en de Drumfanfare. Het Orkest is een professioneel harmonieorkest met 52 musici en de Drumfanfare bestaat uit 22 jonge musici. Gezamenlijk treden het Orkest en de Drumfanfare op tijdens grote taptoes, erewachten en staatsbegrafenissen, zoals op 30 maart.
De Marinierskapel der Koninklijke Marine stond op 30 maart opgesteld op de Makt in Delft, als onderdeel van de Erewacht. Deze kapel die uit geschoolde muzikanten bestaat treedt jaarlijks zo'n 150 keer op waaronder ook bij officiële gebeurtenissen van de Marine. 81 militairen maken deel uit van dit onderdeel.
Ook de Koninklijke Militaire Kapel maakte op 30 maart deel uit van de ceremonie. De kapel die bestaat uit 56 muzikanten liep in de rouwstoet mee, achter de commandant van het militaire deel.

 

Voorbereidingen uitvaart van Prinses Juliana

Vanaf het moment dat bekend werd dat Prinses Juliana was overleden werden de eerste voorbereidingen getroffen voor het militaire ceremonieel tijdens de daarop volgende dagen. Direct vanaf de sterfdag stonden bij het Paleis Soestdijk twee ereposten van de Koninklijke Marechaussee opgesteld. Ondertussen werden voorbereidingen getroffen voor het overbrengen van het lichaam van de Prinses naar Paleis Noordeinde en de daarbij behorende escorte. Op woensdag 24 maart, zes dagen voor de uitvaart, werd het stoffelijk overschot van Prinses Juliana overgebracht naar 's-Gravenhage. Deze verplaatsing werd begeleid door een motorescorte van de Koninklijke Marechaussee. De escorte bestond uit 16 motorrijders en een commandant, allen in ceremonieel tenue. Bij aankomst werd de Prinses door de draagploeg van de Koninklijke Luchtmacht het paleis ingedragen. In de Chapelle Ardente werden vanaf 13.00 uur die dag twee ereposten opgesteld. Militairen van het Garderegiment Grenadiers en Jagers namen hiervan de uitvoering op zich.
Hiermee nam het rouwbeklag door burger- en militaire autoriteiten een aanvang. Aan het eind van de middag werd onder andere eer bewezen aan de overleden Prinses door de Chef Defensiestaf en de Bevelhebbers. Zij tekenden, net als eerder die dag de ministers en staatssecretarissen dat deden, het condoleanceregister.
Vanaf de eerste avond dat Prinses Juliana opgebaard lag in Paleis Noordeinde tot en met een dag voor de uitvaart werd buiten bij het paleis een fakkelwacht opgesteld. De fakkelwacht bestond uit 31 militairen van de verschillende krijgsmachtonderdelen. Bij het invallen van de duisternis werd de fakkelwacht opgesteld en hield men de wacht tot de dageraad. Vanaf donderdag 25 maart, vijf dagen voor de uitvaart, werd 24 uur per dag een Dodenwacht opgesteld in de Chapelle Ardente. Van 23.00 tot 09.00 uur bestond de dodenwacht uit twee ceremoniële ereposten van de Koninklijke Marechaussee en van 09.00 tot 23.00 uur stonden er vier hoofdofficieren links en rechts van de baar. In totaal waren 96 militairen betrokken bij de Dodenwacht. Allen waren officieren in de rang van majoor tot en met kolonel. Van elk krijgsmachtonderdeel waren 24 militairen afgevaardigd. Alle officieren droegen het ceremoniële tenue met sabel en onderscheidingen.

Naast de officiële plichtplegingen werd op de achtergrond hard gewerkt aan de voorbereidingen voor de uitvaart zelf. In de week voorafgaand aan de uitvaart werden onder andere bij het Depot Ceremoniële Tenuen en Sabels in Rijswijk de honderden tenues ingepast en klaargemaakt. Op de dag van de uitvaart zouden zestien verschillende uniformen te zien zijn. In 't Harde oefenden de zogenaamde Gele Rijders op de dag voor de uitvaart nog de saluutschoten die een dag later zouden klinken in Delft en Rijswijk. Op de Schietbaan Waalsdorp in 's-Gravenhage oefende het Cavalerie Ere-escorte met de paarden om ruiter en paard aan elkaar te laten wennen. Veel militairen verkenden de route van de rouwstoet om mogelijke obstakels op te kunnen ruimen. Ook werd de huisvesting geregeld voor de militairen vooraf en gedurende de uitvaartplechtigheid. Daartoe werden een aantal locaties, waaronder het Feijenoordstadion, gereed gemaakt voor de opvang en verzorging van zo'n 7.000 militairen.

 

De uitvaart zelf

Op 30 maart vond de uitvaart en bijzetting van H.K.H. Prinses Juliana plaats. Al vroeg startten de voorbereidingen voor het opstellen van de rouwstoet en de 13,2 kilometer lange ere-afzetting. Vanuit de verschillende verzamelpunten werden de militairen met bijna tweehonderd bussen naar de verschillende locaties gereden vanwaar zij zouden deelnemen aan stoet of ere-afzetting. Het militaire ceremonieel dat hier aan te pas kwam werd voorafgegaan door een inspectie. De mandataris van defensie, brigade-generaal H.Th. Komen, nam de uitvoering hiervan op zich voordat de rouwstoet passeerde. Pas toen de naaste familie zich bij het Instituut Defensie Leergangen bij de stoet aansloot, kon men van een uitvaartstoet spreken.
In het eerste deel van de rouwstoet was de rol van de krijgsmacht beperkt tot een ere-escorte Koninklijke Marechaussee van 12 ruiters met commandant vooraf en een afsluitend ere-escorte Cavalerie met 24 ruiters met commandant. Een ander deel van de ere-escorte werd verzorgd door 24 ruiters en een commandant van de Bereden ere-escorte Korps Landelijke Politie Diensten. In het tweede deel van de stoet, van het Instituut Defensie Leergangen naar de Nieuwe Kerk, speelden militairen een grotere rol. Een militair ere-escorte te voet met in het voorste deel de Koninklijke Militaire Kapel, Commandant, Eredetachement Koninklijke Marine, Eredetachement Koninklijke Landmacht en Eredetachement Koninklijke Luchtmacht ging de stoet vooraf. In het volgende deel van de stoet reed het ere-escorte Koninklijke Marechaussee, gevolgd door de ruiters van het Korps Landelijke Politie Diensten. Hierna kwam de lijkwagen met verschillende begeleiders en daarop volgde een aantal koetsen waaronder de bloemenbrik en de volgkoetsen. Achter de koetsen liep wederom het bereden ere-escorte van de Cavalerie. Na verschillende volgrijtuigen volgde het militair ere-escorte te voet samengesteld uit Eredetachmenten van Koninklijke Marine, Koninklijke Landmacht en Koninklijke Luchtmacht, afgesloten door de Luchtmachtkapel.
De draagploeg die al eerder op woensdag 24 het lichaam van de Prinses het Paleis Noordeinde had ingedragen werd deze dag maar liefst drie keer ingezet. Elk krijgsmachtonderdeel had permanent twee ploegen inzetbaar, bestaande uit 11 militairen waaronder 8 dragers, twee reserve en een commandant. 's Ochtends werd de Prinses het paleis uitgedragen en in de koets geplaatst door een draagploeg van de Koninklijke Marine. Bij de Nieuwe Kerk in Delft werd het lichaam door een draagploeg van de Koninklijke Landmacht uit de koets gehaald en de kerk ingedragen. Tenslotte droegen acht Grenadiers van de Koninklijke Landmacht de kist de Koninklijke grafkelder in. Dit waren deels dezelfde mannen als bij de uitvaart van Prins Claus. De wijze waarop de kist toen werd gedragen maakte grote indruk op de toeschouwers. Het zogenaamde schouderdragen van de overledene is al een oud gebruik dat vandaag de dag nog maar zelden aanschouwd kan worden. Al voor de Middeleeuwen was het schouderen van de overledene een gewoonte. Op veel oude afbeeldingen van begrafenissen is te zien hoe de kist of baar boven de schouders werd gedragen. In de 19de-eeuw werd het schouderdragen steeds minder algemeen doordat de draagbaren te zwaar werden of omdat het gewoon niet meer de moeite loonde om dit zware werk te doen. Een rijdende baar is vandaag de dag zo gewoon bij begrafenissen dat het traditionele schouderdragen zoals dat bij de uitvaart van Prins Claus en Prinses Juliana in het openbaar te zien was, een opmerkelijke gebeurtenis vormt.

 

Ere-afzettingen

Vanaf het Paleis Noordeinde tot aan de Markt in Delft stonden aan weerszijden van de weg meer dan 6.000 militairen van de verschillende krijgsmachtonderdelen opgesteld. Aan deze zogenaamde ere-afzetting werd ook deelgenomen door 300 veteranen. De uitrusting van deze militairen was het dagelijks tenue met persoonlijk wapen. De commandanten droegen het sabel. Bij het passeren van de stoet werd door alle militairen de eregroet gebracht.
Garderegiment Fuseliers Prinses Irene (foto: Wim Cappers)De ere-afzetting op de Markt in Delft bestond uit ongeveer 400 militairen van de verschillende krijgsmachtonderdelen, inclusief studentenweerbaarheden. De erewacht op de Markt in Delft telde nog eens circa 200 militairen. Deze laatsten droegen wel het ceremoniële tenue. Onder hen onder andere manschappen en officieren van het Garderegiment Fuseliers Prinses Irene.

Zo'n 60.000 mensen waren op de been om de uitvaart bij te wonen. De hele uitvaartstoet met de muziek van de Koninklijke Militaire Kapel maakte grote indruk op de toeschouwers. Terwijl in de Nieuwe Kerk de laatste eer werd betoond aan Prinses Juliana marcheerden de militairen af en was het militair ceremonieel voorbij. (2004)

 

Internet

 

Beeldbank

Tijdelijk niet beschikbaar

  • Begraafplaatsen
  • WO II
  • Crematoria

 

Foreign section

Contact

E: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.