| De moord op Marietje Kessels in de Heilig Hartkerk in Tilburg |
|
| door Pim de Bie |
|
De vermissing
Maria Catharina Wilhelmina wordt op 2 maart 1889 geboren. Het gezin Kessels bestaat uit vader Mathijs J.H. Kessels (1858-1932), oprichter en directeur van de Koninklijke Nederlandsche Fabriek van Muziekinstrumenten, moeder Maria Philomena Kessels-Crijns (1863-1941) en zes kinderen waarvan Marietje het derde kind is. Na 1900 zouden nog 3 kinderen geboren worden. Maria werd in huiselijke kring Mia genoemd maar in Maria's dagelijkse leven noemde ieder haar Mientje. Een jaar later in de rechtbank van Breda omschreef vader Mathijs zijn dochter als "een opgeruimd, meegaand kind, tegen iedereen vriendelijk en zeer vroom van aard". Het welgestelde gezin bewoonde de "Villa Cecilia".
Het zoekenMathijs Kessels is die 22e augustus 's morgens om 9 uur voor zaken met de trein vertrokken. Moeder Kessels gaat om 12 uur naar de stad om boodschappen te doen. Bij terugkomst, een uur later, vraagt ze aan het 22-jarige dienstmeisje Cato van de Sande waar Mia is. Het blijkt dat Mientje niet van haar tocht naar de pianoleraar is teruggekeerd. Een onderzoek bij de dichtbij wonende grootouders wijst uit dat ze daar niet is. Woonhuis, tuin en naastgelegen fabriekspand worden doorzocht. Als ze ook daar niet wordt gevonden is dat aanleiding Cato op pad te sturen om in de omgeving te gaan zoeken. Cato doet navraag in De Zwarte Ruiter. Over de man in het portaal wordt dan nog niet gesproken en bij Schellekens is ze niet geweest. Een aantal mensen zegt haar wel gezien te Commissaris Caarls wacht om 6 uur 's avonds op het station op de aankomst van Mathijs Kessels. Om 7 uur geeft deze zijn tweehonderd werknemers vrijaf met het verzoek de stad te doorzoeken. Ook buiten de stad wordt massaal gezocht. Beken en meertjes worden doorwaad, alle toegestroomde tips worden nagetrokken maar midden in de nacht moet men concluderen dat het kind onvindbaar is. Dat tenminste 8 personen die avond tegen tien uur licht in de kerk hebben zien branden, wat ongewoon was, wordt pas later bekend.
Donderdags hoort een kantoorbediende van Kessels, Hendrik van de Put, van een collega dat 's woensdags tussen elf en half twaalf de deur die vanuit het zijportaal van de kerk toegang geeft tot de wenteltrap naar het verwulfsel, had opengestaan. 's Avonds om 7 uur ging Van der Put samen met de koster, Johan van Isterdaal, via de wenteltrap naar het verwulfsel. Later, tijdens het proces, zou Van der Put verklaren dat zij vluchtig links en rechts van de loopplank kijkend hadden gezocht; ze hadden verwacht dat het kind nog in leven zou zijn en zich dan wel zou laten horen. Vrijdag, de 24e start de voorgenomen nauwkeurige zoektocht in Noordhoek. De arbeiderswoningen worden bezocht en er wordt navraag gedaan. Niet echter in de Heilig Hartkerk met zijn verwulfsel, kelder, tuin, sacristie, consistoriekamer en pastorie. Om half negen verschijnt schilder August Mutsaers. Hij moet wat klein schilderwerk aan de kerk verrichten. Met Antonius Boink, een koperslager die op het dak aan het werk is, bespreekt hij de verdwijning wat hen doet besluiten de kelder aan een onderzoek te onderwerpen. Boink gaat naar beneden, Mutsaers wacht boven aan de trap. Geen resultaat. Inmiddels is de kerk het middelpunt van een burgerzoekactie geworden, de politie houdt zich afzijdig. Twee arbeiders, Vlamings en Swaans, vragen Mutsaers met hen naar het verwulfsel te gaan. Swaans en Mutsaers zoeken langs het pad boven de zijbeuken, de 17-jarige Vlamings kijkt links en rechts langs het pad aan de lange zijde. Hun poging levert niets op. Er is een briefkaart ontvangen waar in bedekte termen de pianoleraar/kerkorganist Gerard Schelllekens als verdachte wordt aangewezen. Petrus Schilder en zijn 20-jarige dochter Gerarda hebben zich 's ochtends bij commissaris Caarls gemeld met de mededeling dat zij vanachter de schutting die hun tuin afscheidt van de straat en naast het café De Zwarte Ruiter en tegenover de kerk is gelegen, op woensdagmorgen om ongeveer half elf zes of zeven keer hebben horen gillen. "Als afkomstig van een kind dat wordt mishandeld". Dat is voor commissaris Caarls aanleiding naar de kerk te gaan waar hij de schilder August Mutsaers ontmoet. Met hem wil hij de kerk doorzoeken. Mutsaers is nerveus en zegt dat ook want "Ik heb rust noch duur". Weet je dan iets van het kind? Ja, ik weet veel. Bij de zij-ingang, in het portaal wil Mutsaers zijn verhaal doen maar, verklaarde Caarls later in de rechtbank "Ik achtte die plaats minder geschikt". Ze betreden de ruimte achter de torendeur waar in een nis verscholen Mutsaers een deel van zijn materialen en gereedschappen bewaart. Ook hier wil Caarls niet aanhoren wat Mutsaers te vertellen heeft. Na een stuk de wenteltrap te zijn opgegaan zegt Caarls "Nu kunt gij spreken". Mutsaers vertelt dat koster Van Isterdaal het meisje op straat heeft aangesproken en het in de kerk heeft gebracht. In de nis waar ik mijn gereedschap bewaar liggen enige kledingstukken van het kind. Caarls gaat, na de nis heel vluchtig te hebben bekeken zonder daar kleren te hebben gezien, de kerk in waar hij Van Isterdaal verzoekt met hem mee te gaan. Ze begeven zich naar de Villa Cecilia. Daar aangekomen blijkt naast vader Kessels ook pastoor Van Zinnicq Bergmann aanwezig te zijn. Caarls zegt dat de koster het kind woensdagmorgen om half elf heeft gezien. De pastoor vraagt "Zo, waar dan. Ik zag haar bij de kerk. Ze liep van de kerk naar hier". Caarls wijst naar de koster en met harde stem zegt hij "Mijnheer pastoor, dit is de moordenaar van het kind. Hij heeft het kind vermoord" waarop Van Isterdaal repliceert "Dat is sterk, commissaris, daarmee zult u wel abuis hebben". Met niet meer wetenschap dan de informatie die Mutsaers hem heeft gegeven en hij zelfs de kleding van het kind niet heeft gezien, arresteert commissaris Caarls koster Van Isterdaal.
De vondstDiezelfde vrijdag, 24 augustus 1900, om 7 uur 's avonds beginnen vijf personen een nieuwe zoektocht in de kerk. Commissaris Caarls, de inspecteurs Soentjes en Meijvaart, wachtmeester der marechaussee Ammerlaan en Jacob Heemskerk die de vier politiefunctionarissen zal begeleiden. Hij is opzichter geweest bij de bouw van de kerk. Eerst wordt het beneden gedeelte van de kerk doorzocht. Na 72 treden en 27 laddersporten komt het gezelschap op het verwulfsel aan. Ze onderzoeken de hoeken waar de bogen samen komen en de trechters beneden bij de pilaren. Eén van hen stapt telkens bij een trechter met één been op de welving van het verwulfsel terwijl hij door een tweede wordt vastgehouden om zich te kunnen voorover buigen om bij het licht van een omhoog gehouden lantaarn in de 7 meter lager gelegen nis te kunnen kijken. Ze zijn hier ruim een uur mee bezig als wachtmeester Ammerlaan halverwege de noordkant het levenloze lichaam van het 11-jarige meisje ziet liggen. Twee jaar later legt Heemskerk voor de rechtbank in Breda de volgende verklaring af: "Het lijkje lag met het hoofd omlaag, de handen boven het hoofd, het linkerbeen gestrekt en het rechterbeen opgetrokken. Aan de neus was wat bloed te zien. Het lijkje was geheel ontkleed. Alleen de benen waren door zwarte kousjes bedekt. Om de hals was een wit kledingstuk gesnoerd." Moeder Philomena is totaal overstuur naar bed gegaan waar haar oudste dochter Henriëtte en Philomena's zuster, eveneens Henriëtte geheten en aan wie de brief was gericht die Mientje zou posten, haar trachten te troosten. Philomena geeft te kennen behoefte te hebben aan woorden van troost van pastoor Van Zinnicq Bergmann. Deze vervoegt zich weldra bij Philomena waar blijkt dat hijzelf in een toestand van schrik en verdriet verkeert. In zijn kerk en door zijn koster is een gruwelijke daad verricht. "Och mevrouw, het kindje is gelukkig en voor u is het een troost dat u een Engel in de hemel hebt gewonnen. Maar voor mij is het erger. Ik heb alles verloren. Er is geen troost voor mij". De man voor wie er geen troost meer is, kwam na 4 jaar gymnasium in 's Hertogenbosch tot het inzicht dat hij priester wilde worden. Hij zet zijn studie voort aan het klein seminarie. Twee jaar later wordt hij toegelaten tot het seminarie in Haren waar hij in 1872 het tonsuur en mindere orden ontvangt. Na nog drie jaar wordt hij tot priester gewijd waarna hij in Rome zijn studie afrondt met de titel Doctor Theologie. Kapelaan in Eindhoven en een professoraat aan het seminarie waar hij zijn studie had aangevangen brengen in januari 1897 een opdracht om in Tilburg een nieuwe parochie te stichten. Hij doet dat zeer voortvarend wat leidt tot de vervulling van zijn levensdroom, de bouw van de Heilig Hartkerk in 1897. Die droom wordt een nachtmerrie door de ontwijding van zijn kerk door de moord op een kind. Aanleiding zichzelf hierdoor te bestempelen als een man voor wie er geen troost meer is.
De verdachtenNa de arrestatie van koster Van Isterdaal legt Mutsaers een aantal verklaringen af. Verklaringen die niet in zijn voordeel werken, integendeel hij komt hierdoor in een verdacht licht te staan. Onder anderen verklaart hij dat Van Isterdaal hem een pakje heeft gegeven dat hij maar moest laten verdwijnen. Hij heeft het echter mee naar huis genomen en in een kist bewaard. Na deze verklaring gaat de politie dit pakketje bij hem thuis ophalen. Het blijken wat kleertjes van Marietje te zijn, bijeengehouden door de bandjes van een boezeroentje. Dit is aanleiding om ook Mutsaers vast te zetten. De verkrachting van en de moord op Marietje Kessels werden alom in Nederland met afschuw ontvangen. Algemeen was men van mening dat hier sprake was van grove schending van drie onaantastbaar geachte normen: a. een moord op een kind, b. de schending van het 5e gebod en c. de ontwijding van een kerk. De roep naar herinvoering van de in 1870 afgeschafte doodstraf werd veelvuldig gehoord.
De processen en de conclusieHet zou in dit bestek te ver voeren verslag te doen van de zittingen van de arrondissementsrechtbank in Breda (juni 1901) en van het gerechtshof in 's Hertogenbosch (juni 1902). Vermeldenswaardig is nog dat koster Van Isterdaal op 29 december 1900, nog voor het begin van het proces bij de arrondissementsrechtbank, wegens gebrek aan bewijs in vrijheid werd gesteld. Schilder August Mutsaers werd zowel in Breda als in 's Hertogenbosch na
De begrafenis
Na een spontaan ontstane inzamelingsactie onder de Tilburgse burgers is later een marmeren monument op haar graf geplaatst voorstellend een door een kind omarmd kruis. De tekst onderaan het kruis luidt "Ave Spes Unica" (Wees gegroet, enige hoop). Op de deksteen is gegraveerd: Aan Maria Catharina Wilhelmina KESSELS geb 2 maart 1889 overl 22 augustus 1900
UIT INNIGE DEELNEMING
Ik ben gestorven om voor God te leven
Graf Caarls en Van Zinniq BergmannPrecies achter het graf van Marietje is het graf van commissaris Hermanus Caarls. Een tiental meters ter linker zijde van Marietje’s graf in de richting van 8 uur is pastoor Van Zinnicq Bergmann bijgezet. Op de sluitsteen staat:
Mgr. Dr. G. van Zinnicq Bergmann Geh. kamerheer van Z.H. Paus Pius X Oprichter en pastoor van de parochie H. Hart Tilburg
geb te ’s Bosch 5 jan 1851 aldaar overl 6 nov 1910
Bid voor hem en gedenk zijn arbeid en zijne liefde 1 THESS 3 Johannes van Isterdaal overleed in 1960 in Den Haag, August Mutsaers overleed in hetzelfde jaar op 86 jarige leeftijd in Dongen. [2010]
Literatuur
Grafcoördinaten
|
|
Laatst aangepast op zondag 08 januari 2012 10:14 Heeft u op- of aanmerkingen over bovenstaand artikel? Uw reactie wordt op prijs gesteld. |